Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-19
ECLI:NL:RBAMS:2024:6085
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,579 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/285403-23
Datum uitspraak: 19 september 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 9 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Deze vordering betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2022 door de Advocaat-generaal bij het Hof van Beroep Antwerpen (België) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats].
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] (adres Penitentiaire Inrichting),
uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [plaats].
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Het EAB is voor het eerst behandeld op de zitting van 4 januari 2024. Tijdens die behandeling is vastgesteld dat de opgeëiste persoon door Spanje aan Nederland is overgeleverd op grond van een Nederlands EAB. Vervolgens is het voorliggende EAB uit België in behandeling genomen. Alvorens een eventueel toewijzende beslissing kan worden genomen op het voorliggende overleveringsverzoek moet toestemming voor verderlevering verkregen worden van Spanje. In afwachting van deze toestemming is de behandeling op 4 januari 2024 voor bepaalde tijd aangehouden naar de zitting van 16 januari 2024. Op deze laatstgenoemde zitting bleek de toestemming voor verderlevering nog niet binnen te zijn, waarna de behandeling opnieuw en deze keer voor onbepaalde tijd is aangehouden.
De behandeling van het EAB is met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 5 september 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. van Stratum, advocaat in Den Haag.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.
3Toestemming voor verdere overlevering
Uit een bericht van de Spaanse autoriteiten van 10 juli 2024 en een daaraan gehechte beslissing van 17 januari 2024 blijkt dat de Spaanse autoriteiten toestemming hebben verleend voor verderlevering van de opgeëiste persoon aan de Belgische autoriteiten.
4Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het Hof van Beroep in Antwerpen (C5 kamer) van 8 juni 2022 met referentie 2021/PGA/3553 en griffienummer 797/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 36 maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1080 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW geweigerd dient te worden. De opgeëiste persoon heeft betwist dat hij tijdens het proces in België is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde raadsman. De opgeëiste persoon geeft aan überhaupt niet van het plaatsvinden van het proces in België op de hoogte geweest te zijn. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de vermeende Belgische advocaat van de opgeëiste persoon ter zitting of bij de rechter-commissaris te (laten) horen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. In het onderhavige geval hoeft dus alleen het arrest van het Hof van Beroep in Antwerpen van 8 juni 2022 getoetst te worden aan artikel 12 OLW.
Uit onderdeel d) van het EAB, in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 30 november 2023 en 5 februari 2024, volgt dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon maakt dit niet anders. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW doet zich dan ook niet voor.
De rechtbank ziet geen reden de raadsman te volgen in zijn subsidiaire verzoek, alleen al omdat slechts is volstaan met een kale ontkenning dat de Belgische raadsman gemachtigd was.
Het verweer slaagt niet.
6Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking
7Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft desgevraagd aangegeven zich niet te beroepen op de facultatieve weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW.
8Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet.
Bij brief van 6 december 2023 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken is de volgende garantie gegeven:
“Ter beantwoording van het verzoek om een individuele detentiegarantie uitgaande van Arrondissementsparket Amsterdam (dd. 29 november 2023) betreffende de detentieomstandigheden waaraan [opgeëiste persoon] (°[geboortedag] 1990) zal worden onderworpen na overlevering ingevolge het Europees aanhoudingsbevel
(dd. 20 oktober 2022, ref. 2021/PGA/3553) met oog op de uitvoering van het arrest van het van Beroep Antwerpen van 08/06/2022 (referenties 2021/PGA/3553; 797/22) uitgesproken op tegenspraak, verstrek ik u de volgende informatie.
1In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie.
De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (waaronder de CPT-standaarden).
9Artikel 13 OLW
De raadsman heeft zich op de zitting van 4 januari 2024 op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 13 OLW geweigerd dient te worden. Dit verweer kan niet slagen, nu het EAB vermeldt dat de feiten zijn gepleegd in Essen, België. Dat de feiten geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied gepleegd zouden zijn, blijkt nergens uit.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
11Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Advocaat-generaal bij het Hof van Beroep Antwerpen (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 september 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste, tweede en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.