Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-26
ECLI:NL:RBAMS:2024:6038
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,327 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 10878613 CV EXPL 24-543
vonnis van: 26 september 2024
fno.: 506
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
[eiser] (h.o.d.n. [handelsnaam] )
zaakdoende te [vestigingsplaats]
eisende partij
gemachtigde: mr. O.J. Boeder
t e g e n
[gedaagde]
zonder bekende woon-/ verblijfplaats binnen en buiten Nederland
gedaagde partij
niet verschenen
Verder verloop van de procedure
Bij vonnis van 30 mei 2024 is eisende partij in de gelegenheid gesteld een akte te nemen zoals in dat vonnis is overwogen. Eisende partij heeft op de rol van 25 juli 2024 deze akte ingediend, waarbij zij heeft vermeld dat een afschrift van de akte (per e-mail) aan gedaagde partij is verzonden met het verzoek op dezelfde roldatum hierop te reageren. Gedaagde partij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
De zaak staat thans weer voor vonnis.
Gronden van de beslissing
Bij dagvaarding heeft eisende partij betaling gevorderd van een bedrag van € 3.782,40 bestaande uit € 3.135,00 aan hoofdsom, € 530,59 aan buitengerechtelijke kosten en € 116,81 aan rente. Uit de overgelegde facturen blijkt dat de gevorderde hoofdsom van € 3.135,00 ziet op in totaal 33 door de eisende partij verrichte medische behandelingen van € 95,00.
Eisende partij heeft in haar akte van 25 juli 2024 gesteld dat zij geen algemene voorwaarden hanteert. Deze stelling is nader gestaafd met het overleggen van een verklaring van de eisende partij.
Eisende partij heeft verder in haar akte van 25 juli 2024 gesteld dat gedaagde partij, voordat de therapie begon, per e-mail op de hoogte is gesteld van de duur en de kosten van de sessies (€ 95,00 voor een sessie van 50 minuten), dat de verzekering deze kosten niet zou dekken en van het annuleringsbeleid. Deze stelling is onderbouwd met een brief die aan patiënten bij het uitnodigen voor de eerste afspraak per e-mail is toegezonden.
Naar aanleiding hiervan wordt geconcludeerd dat eisende partij wél bedingen hanteert die zijn bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden opgenomen, zoals het prijsbeding en het annuleringsbeding. Dit zijn standaardbedingen (algemene voorwaarden) en die moeten, voor zover daarop in het kader van de vordering een beroep wordt of kan worden gedaan, getoetst worden aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG).
Eisende partij vordert geen annuleringskosten, zodat dat beding niet aan de Richtlijn getoetst hoeft te worden.
Wel doet zij een beroep op het prijsbeding. Uit het overgelegde e-mailbericht volgt echter dat de prijs voor de behandelingen duidelijk en begrijpelijk voorafgaande aan de behandelingen aan gedaagde partij is medegedeeld. Nu het prijsbeding een kernbeding betreft is ingevolge artikel 4 lid 2 van de Richtlijn verdere toetsing aan de Richtlijn niet aan de orde, zodat eisende partij zich hierop kan beroepen.
De gevorderde hoofdsom komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze wordt toegewezen.
Eisende partij heeft tot slot voldoende gesteld en toegelicht dat ze geen bedingen gebruikt met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten, rente en proceskosten, zodat zij die bedragen kan vorderen op grond van de wet.
Eisende partij heeft de brief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek per e-mail gestuurd. Gesteld noch gebleken is echter dat het gebruikte e-mailadres door gedaagde partij aan eisende partij is opgegeven en dus dat dit adres ook door gedaagde partij wordt gebruikt. Dit geldt te meer nu eisende partij drie verschillende e-mailadressen heeft gebruikt om gedaagde partij te bereiken en gedaagde partij daarop nimmer heeft gereageerd. Hierdoor kan niet worden uitgegaan van ontvangst van de per e-mail verzonden brief en om die reden zijn de gevorderde buitengerechtelijke kosten dan ook niet toewijsbaar.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar, zij het alleen over de hoofdsom.
Gedaagde partij wordt veroordeeld in de proceskosten
Dictum
De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te voldoen:
€ 3.135,00 ter zake van hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de voldoening;
€ 116,81 ter zake van vervallen rente;
veroordeelt gedaagde partij in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van eisende partij begroot op € 248,00 aan griffierecht, € 189,35 aan explootkosten en € 238,00 aan salaris gemachtigde en € 68,00 aan nakosten, voor zover van toepassing inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op donderdag 26 september 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.