Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-25
ECLI:NL:RBAMS:2024:5900
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,551 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/199278-24
Datum uitspraak: 25 september 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 18 juli 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2024 door the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats], Polen, op [geboortedag] 1991,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 september 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.D. Renshof, advocaat in Hoorn, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
een vonnis van the District Court in Leszno (Polen) van 26 juli 2023 (referentie: II K 445/22);
een arrest van the Regional Court in Poznań (Polen) van 21 december 2023 (referentie: IV Ka 1024/23).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven jaar en drie maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren – zo begrijpt de rechtbank – volgens het EAB nog zeven jaar, twee maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Het vonnis en arrest betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Wanneer het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank stelt – in overeenstemming met de standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie – vast dat in dit geval de procedure die heeft geleid tot het arrest in beroep van the Regional Court in Poznań van 21 december 2023 aan artikel 12 OLW moet worden getoetst.
Verder stelt de rechtbank – ook in overeenstemming met de standpunten van de raadsvrouw en de officier van justitie – vast:
dat het arrest is gewezen, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid;
dat het arrest – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan;
en dat ook geen garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht niet af te zien van het toepassen van deze weigeringsgrond en de officier van justitie heeft de rechtbank verzocht dat juist wel te doen.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en motiveert dit als volgt.
Uit de door the District Court in Leszno en de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brieven van 8 augustus 2024 en 19 augustus 2024 verstrekte informatie blijkt onder meer het volgende:
de opgeëiste persoon is op 17 juli 2021 (als verdachte) en op 12 augustus 2022 (als beschuldigde) geïnformeerd over de verplichting adreswijzigingen door te geven gedurende de gehele procedure en daarbij gewezen op de mogelijkheid dat een beslissing wordt genomen indien de opgeëiste persoon niet op de zitting zou verschijnen;
de opgeëiste persoon is op 20 juli 2023 op de zitting in eerste aanleg aanwezig geweest met een advocaat (toegewezen door de staat) en is toen geïnformeerd over de datum van de uitspraak (26 juli 2023);
op 26 juli 2023 heeft de opgeëiste persoon Polen verlaten; hij heeft daarbij geen adreswijziging doorgegeven.
de advocaat van de opgeëiste persoon en de officier van justitie hebben beroep ingesteld tegen het vonnis van 26 juli 2023;
de oproep voor de zitting in beroep is gestuurd naar het door de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek opgegeven adres;
de opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door een advocaat (toegewezen door de staat op 27 januari 2023) die hem zowel in eerste aanleg als in de beroepsprocedure heeft bijgestaan.
Uit politie-informatie blijkt dat de opgeëiste persoon vanuit Polen naar Nederland is gegaan op 26 juli 2023.
De opgeëiste persoon heeft op de zitting van 11 september 2024 onder meer verklaard dat hij inderdaad aanwezig is geweest op de zitting in eerste aanleg van 20 juli 2023 en dat hij niet naar de uitspraak is gegaan op 26 juli 2023, via de media heeft vernomen wat de uitspraak was en dat het openbaar ministerie beroep had aangetekend en dat hij een aantal dagen na de uitspraak is vertrokken naar Nederland.
Uit het voorgaande volgt dat de opgeëiste persoon in het voorbereidend onderzoek een adresinstructie heeft gekregen, dat hij wist van de procedure in eerste aanleg en met zijn advocaat in eerste aanleg op een zitting is verschenen. Diezelfde advocaat heeft hoger beroep ingesteld en was op de zitting in hoger beroep aanwezig. Uit de omstandigheid dat de opgeëiste persoon met de advocaat op de zitting is verschenen kan genoegzaam worden afgeleid dat de opgeëiste persoon met de bijstand door de advocaat heeft ingestemd. Kort na de uitspraak in de procedure in eerste aanleg heeft hij vervolgens Polen verlaten. Hij heeft geen adreswijziging doorgegeven aan de autoriteiten, noch heeft hij zich via zijn advocaat op de hoogte gehouden van het verdere verloop van de procedure, waaronder het hoger beroep. De opgeëiste persoon is dan ook kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie en in het verlengde daarvan ook met betrekking tot de uitoefening van zijn verdedigingsrechten. Het toestaan van de overlevering levert in het licht van het voorgaande dan ook geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. Dit betekent dat art.
Feiten
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid van deze wet; (artt. 6, 8 en 175 WVW)
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Inleiding
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Verweer van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht de overlevering te weigeren op grond van artikel 11 OLW, omdat de opgeëiste persoon in eerste aanleg geen eerlijk proces heeft gehad. Daartoe heeft zij gewezen op het door de rechtbank aangenomen algemene gevaar, zoals hiervoor in de inleiding weergegeven. Verder heeft zij ter concretisering van de situatie van de opgeëiste persoon – met inbreng van deels vertaalde stukken, waaronder het vonnis in eerste aanleg – het volgende aangevoerd:
dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg door een alleen zittende rechter is berecht en dat die rechter is benoemd door de NEO-KRS;
dat de zaak van de opgeëiste persoon een mediazaak betrof, omdat hij politieagent was;
dat de opgeëiste persoon in strijd met het ne bis in idem beginsel is veroordeeld voor een feit, waarvoor hij eerder was vervolgd, welke eerdere procedure bij besluit van
10 mei 2022 is stopgezet (in de zaak met registratienummer II W 694/21).
Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om nadere informatie op te vragen met betrekking tot de vermeende eerdere vervolging voor hetzelfde feit.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat de raadsvrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces heeft gehad en ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om nadere informatie op te vragen.
Oordeel van de rechtbank
De raadsvrouw heeft geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – de structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van de strafzaak van de opgeëiste persoon. De berechting in eerste aanleg door een rechter die is benoemd door de NEO-KRS is een omstandigheid die duidt op het algemene reële gevaar op schending van het grondrecht op een eerlijk proces. Verder is onvoldoende onderbouwd waarom die omstandigheid of de omstandigheid dat de opgeëiste persoon een politieagent was en de zaak daardoor aandacht in de media kreeg, het proces oneerlijk heeft gemaakt. Ten slotte is niet met stukken onderbouwd dat de opgeëiste persoon in strijd met het ne bis in idem beginsel eerder is berecht. Niet aangetoond is dus dat sprake is van een individuele schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en er bestaat ook geen aanleiding om aanvullende gegevens hierover op te vragen.
De rechtbank verwerpt het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek om aanhouding af.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 6, 8 en 175 van de Wegenverkeerswet, 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en 2, 5 en 7 van de OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R. Godthelp, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en A.L. op ‘t Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten en L.P. van Kessel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 september 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
Vergelijk rechtbank Amsterdam 3 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:4072.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).