Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-23
ECLI:NL:RBAMS:2024:5810
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,741 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/5788 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2024 op het verzet van
[opposant] , uit Haarlem, opposant
( [gemachtigde opposant] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 20 december 2023 in het beroep van opposant tegen
de heffingsambtenaar van gemeente Amsterdam, geopposeerde (hierna: de heffingsambtenaar).
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over een uitspraak van de rechtbank van 20 december 2023, waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard (de beroepszaak).
2. De rechtbank heeft het verzet op 3 september 2024 op een zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van opposant deelgenomen.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak op het verzet eerst of in de beroepszaak terecht is geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. De rechtbank doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt zij in deze uitspraak niet toe. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
5. Aan opposant is op 11 juni 2020 door de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Opposant heeft daartegen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (uitspraak op bezwaar I). Uitspraak op bezwaar I is door de rechtbank in beroep vernietigd, waarna de heffingsambtenaar een nieuw besluit moest nemen.
6. Omdat opposant geen nieuw besluit ontving, heeft hij vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dit beroep is door de rechtbank gegrond verklaard en zij heeft opnieuw bepaald dat de heffingsambtenaar een nieuw besluit moest nemen. In die zaak is de rechtbank uitgegaan van de door opposant gegeven informatie, omdat de heffingsambtenaar geen stukken had ingediend of verweer had gevoerd.
7. Omdat opposant nog steeds geen nieuw besluit ontving, heeft hij vervolgens opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. In deze zaak heeft de heffingsambtenaar wél verweer gevoerd en gesteld dat er al op 22 december 2021 een besluit zou zijn genomen (uitspraak op bezwaar II), dat per aangetekende post aan de gemachtigde van opposant zou zijn verzonden.
8. De rechtbank heeft opposant op 10 januari 2023 gevraagd of hij zijn beroep wilde intrekken, dan wel of zijn beroep ook inhoudelijk op uitspraak op bezwaar II zag. In reactie daarop heeft opposant in de beroepszaak ook zijn inhoudelijke beroepsgronden tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting ingediend.
9. Nadat opposant in de beroepszaak kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, is hij in verzet gegaan en heeft hij ook zijn beroep aangevuld.
De uitspraak van 20 december 2023 in de beroepszaak
10. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen als het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. ‘Kennelijk’ betekent dat het oordeel buiten redelijke twijfel moet staan.
11. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht omdat de heffingsambtenaar aannemelijk zou hebben gemaakt dat hij op 22 december 2021 een beslissing heeft genomen (uitspraak op bezwaar II). Volgens de rechtbank stond daarmee vast dat de heffingsambtenaar ten tijde van het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, op 30 november 2022, de gevraagde uitspraak op bezwaar al had genomen. Volgens de rechtbank heeft opposant de toezending van uitspraak op bezwaar II per aangetekende post niet weersproken. De rechtbank is er daarom vanuit gegaan dat opposant uitspraak op bezwaar II heeft ontvangen.
Is het beroep terecht kennelijk-niet ontvankelijk verklaard?
12. Volgens opposant heeft de rechtbank het beroep onterecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens opposant is uitspraak op bezwaar II nooit door hem ontvangen en volgt uit de door de heffingsambtenaar aangevoerde informatie niet dat deze is verzonden. Als opposant de track & trace code invoert op de website van PostNL staat er dat het ‘pakket nog niet gevonden’ is. Op de door de heffingsambtenaar aangeleverde kopie uit de verzendadministratie staat de datum 22 december 2021, terwijl op de vermeende uitspraak op bezwaar II de data 21 december en 30 december 2021 staan. Dit komt niet overeen. Bovendien staat op de kopie uit de verzendadministratie geen huisnummer vermeld. Volgens opposant is het beroep ten onrechte vereenvoudigd afgedaan en is opposant ten onrechte niet door de rechtbank in de gelegenheid gesteld te reageren op de vermeende verzending van uitspraak op bezwaar II. Door de rechtbank is enkel gevraagd of opposant het inhoudelijk eens was met uitspraak op bezwaar II en zo nee, aan te geven waarom niet.
13. De verzetsgrond slaagt. Zoals opposant terecht heeft aangegeven, heeft de rechtbank hem op 10 januari 2023 per brief gevraagd of hij zijn beroep wilde intrekken dan wel een inhoudelijke reactie op uitspraak op bezwaar II wilde geven. Opposant is niet expliciet in de gelegenheid gesteld om te reageren op de vraag of hij uitspraak op bezwaar II heeft ontvangen. Opposant heeft echter gedurende de gehele procedure en in de aanloop daar naartoe, telkens gesteld dat hij geen nieuwe uitspraak op bezwaar had ontvangen (en om die reden ook beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit). Vervolgens heeft de rechtbank opposant zonder zitting kennelijk-niet ontvankelijk verklaard, omdat hij de toezending niet zou hebben weersproken.
14. Voor wat betreft de verzending van uitspraak op bezwaar II geldt bovendien het volgende. Om aannemelijk te maken dat het stuk per aangetekende post is verzonden, moet de heffingsambtenaar aannemelijk maken dat het stuk door PostNL aan het adres van opposant is aangeboden (en niet slechts dat het stuk bij PostNL is aangeboden). Omdat de heffingsambtenaar de gegevens uit haar verzendadministratie voor het eerst op 21 december 2022 (bij het verweerschrift in de beroepszaak) heeft ingediend, zijn de gegevens over de mogelijke aangetekende verzending al lange tijd verwijderd uit het registratiesysteem van PostNL. De heffingsambtenaar heeft hiermee dan ook niet aannemelijk gemaakt dat uitspraak op bezwaar II door opposant is ontvangen. De door de heffingsambtenaar ingediende kopie van zijn verzendadministratie biedt bovendien reden voor twijfel, omdat daarin wordt verwezen naar een besluit van 21 december 2021, terwijl op uitspraak op bezwaar II de data 22 december 2021 en 30 december 2021 staan vermeld. Er kan daarom twijfel bestaan over de vraag of de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar II heeft verzonden en deze ook door opposant is ontvangen. De rechtbank komt in verzet tot de conclusie dat de rechtbank opposant in de beroepszaak onterecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Conclusie
15. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de beroepszaak ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond en de uitspraak van 20 december 2023 in de beroepszaak vervalt.
16. Omdat de rechtbank stukken mist die relevant zijn voor de beoordeling van de inhoudelijke beroepszaak (die ziet op de naheffingsaanslag parkeerbelasting) en de heffingsambtenaar op de inhoudelijke gronden nog niet heeft gereageerd, is nader onderzoek nodig. De rechtbank kan daarom geen gebruik maken van haar bevoegdheid om ook uitspraak te doen op het inhoudelijke beroep.
17. Omdat het verzet gegrond is, veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bestluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 875,- (0,5 punt voor het indienen van een verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 875,- per punt en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan opposant.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Sullivan, rechter, in aanwezigheid van mr.S.A. Adriaanse, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen rechtsmiddel open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
De indiener van het verzetschrift.
Rechtbank Amsterdam 20 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8153.
Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4209.
Zie de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 februari 2022, met kenmerk AMS 21/5607.
Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie onder meer de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 10 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3510 en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2813.
PostNL verwijdert de gegevens 3 maanden na verzending uit haar systeem. Daarna geeft het systeem de melding ‘pakket nog niet gevonden’.
Als bedoeld in artikel 8:55, tiende lid, van de Awb.
Zie artikel 1, aanhef en onder a (kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand), artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, en de bijlage bij het Bpb.