Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-17
ECLI:NL:RBAMS:2024:5787
Strafrecht
Beschikking
1,385 tokens
Dictum
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna te noemen: veroordeelde.
Feiten
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft aan veroordeelde bij vonnis van 28 november 2019 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de staat van € 5.694,91. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
Veroordeelde heeft daarvan tot 29 augustus 2024 een bedrag van € 1.182,69 betaald. Het nog te betalen bedrag was op dat moment € 4.512,22.
Procedure
Het verzoek van veroordeelde is op 5 juni 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 3 september 2024 het verzoek op de openbare zitting behandeld.
De rechtbank heeft veroordeelde, de raadsvrouw, mr. P. Figge, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie op zitting gehoord.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van dat wat door [persoon], schuldhulpverlener bij [naam groep], naar voren is gebracht.
Verzoek
Het verzoek strekt tot kwijtschelding, althans vermindering, van de aan veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegde verplichting tot betaling aan de staat van een (resterend) bedrag van € 4.512,22.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft om het resterende bedrag te betalen. Veroordeelde heeft een uitkering en leeft – door zijn schuldenlast – beneden het bijstandsniveau. Veroordeelde is dakloos geweest, maar heeft nu een eigen huurwoning. Hij krijgt intensieve begeleiding en is gemotiveerd om werk te zoeken voor 40 uur per week, maar heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Veroordeelde ervaart veel stress vanwege zijn schulden en beperkte draagkracht. Ook is er geen financiële ruimte om er netjes uit te zien voor een sollicitatie. Daarnaast draagt veroordeelde als mantelzorger zorg voor zijn moeder. Het ligt daarom niet in de lijn der verwachting dat veroordeelde binnen een korte termijn een baan zal vinden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat er in de toekomst geen draagkracht zal zijn om het geldbedrag te voldoen, en concludeert tot afwijzing van het verzoek.
Beoordeling
Op grond van artikel 6:6:26 Sv kan de rechter die de betalingsverplichting heeft opgelegd op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van veroordeelde het vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden.
De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van de opgelegde betalingsverplichting, op de verzoeker de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk te maken dat nu en in de toekomst bij de veroordeelde geen draagkracht aanwezig is en zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen.
Uit de schriftelijke toelichting van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van 29 augustus 2024 blijkt dat veroordeelde zich tot op heden aan de overeengekomen betalingsregeling heeft gehouden. Veroordeelde betaalt een termijnbedrag van € 30,- per maand. Het CJIB adviseert het verzoek tot kwijtschelding (gedeeltelijk) toe te wijzen. Het CJIB twijfelt niet aan de draagkracht van veroordeelde zoals dat in het verzoek is geschetst en is van mening dat de financiële positie van veroordeelde in de nabije toekomst niet zal verbeteren.
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde voldoende heeft onderbouwd dat hij op dit moment niet voldoende draagkracht heeft om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Veroordeelde leeft nu beneden het bijstandsniveau. Ondanks deze leefsituatie laat veroordeelde zien dat hij probeert uit zijn schulden te komen, door zich te houden aan de betalingsregeling. In de toekomst is er mogelijk zicht op een vergroting van de draagkracht doordat veroordeelde betaald werk zou kunnen vinden, maar gelet op de bijzondere persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, onder meer gelegen in het feit dat hij een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en mantelzorger is voor zijn moeder, overweegt de rechtbank dat dit niet in de nabije toekomst te verwachten valt. Volledige aflossing zal dan ook een substantiële tijd in beslag nemen.
De rechtbank zal daarom, gelet op deze bijzondere omstandigheden, het verzoek gedeeltelijk toewijzen, in die zin dat het ontnemingsbedrag wordt verminderd. Bij de bepaling van de hoogte van de vermindering houdt de rechtbank in beperkte mate rekening met het feit dat in het hoger beroep in de bij de ontneming behorende strafzaak een kortere pleegperiode bewezen is verklaard dan de rechtbank heeft gedaan en dat tegen het ontnemingsvonnis geen hoger beroep is ingesteld. De rechtbank bepaalt dat het het ontnemingsbedrag wordt gehalveerd tot € 2.847,46. Daarmee resteert nog een te betalen bedrag van € 1.664,77.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek gedeeltelijk toe en stelt het door veroordeelde ingevolge van het vonnis van 28 november 2019 nog aan de staat te betalen bedrag vast op € 1.664,77.
Deze beslissing is gegeven door
mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter,
mrs. C. Huizing-Bruil en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. Ketelaers, griffier.