Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-06
ECLI:NL:RBAMS:2024:5527
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,945 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2009
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2024 in de zaak tussen
[eiseres] uit Broek in Waterland, eiseres
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam
(gemachtigde: [heffingsambtenaar] .
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar deelgenomen.
Feiten
2.1.
De heffingsambtenaar heeft op 22 februari 2024 aan eiseres een naheffingsaanslag opgelegd, omdat zij op 17 februari 2024 om 11.35 uur met haar voertuig met kenteken [Kenteken] geparkeerd stond ter hoogte van [adres] [huisnummer] in Amsterdam, terwijl daar geen of te weinig parkeerbelasting voor was betaald.
2.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag en aangevoerd dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan haar is opgelegd, omdat zij een parkeervergunning heeft.
2.3.
Met de uitspraak op bezwaar van 21 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de parkeervergunning per 1 januari 2024 is ingetrokken, omdat de vergunninghouder, de moeder van eiseres, was overleden. Het intrekkingsbesluit is aangetekend verstuurd naar het adres waar de moeder van eiseres stond ingeschreven. De heffingsambtenaar heeft het intrekkingsbesluit echter retour ontvangen. Volgens de heffingsambtenaar is de brief wel op het juiste adres aangeboden en had eiseres de brief kunnen afhalen op een PostNL-kantoor. Dat zij dit niet heeft gedaan, komt voor haar eigen rekening en risico. Daarom trekt de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag niet in.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht aan eiseres heeft opgelegd.
3.2.
Eiseres is het niet eens met de naheffingsaanslag. Zij voert aan dat zij op 17 februari 2024 geen parkeergeld heeft betaald, omdat op haar kenteken een digitale parkeervergunning stond die nog vier jaar geldig was. Volgens eiseres kon zij niet weten dat de parkeervergunning was ingetrokken. Het intrekkingsbesluit was gestuurd naar het adres van haar moeder. Eiseres had de huur van de woning van haar moeder echter al opgezegd, waardoor zij geen toegang meer had tot de woning en tot de brievenbus. De brief met het intrekkingsbesluit heeft zij daardoor niet gezien. Ook het briefje dat de postbode zou hebben achtergelaten met de vermelding dat de brief naar een PostNL-kantoor was gebracht, heeft zij niet gezien. Zij wist daardoor ook niet dat zij de brief moest ophalen op een PostNL-kantoor.
3.3.
Op de zitting heeft de heffingsambtenaar meegedeeld dat de motivering in de uitspraak op bezwaar, dat het voor rekening en risico van eiseres komt dat zij de brief niet heeft opgehaald, niet juist is. De heffingsambtenaar heeft hierin aanleiding gezien toe te zeggen het griffierecht aan eiseres te vergoeden. De heffingsambtenaar heeft hierin echter geen aanleiding gezien om de naheffingsaanslag te vernietigen, eiseres mocht de parkeervergunning volgens de heffingsambtenaar immers niet gebruiken en dit had zij moeten weten.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd. Zoals de heffingsambtenaar in het verweerschrift heeft gesteld, is de parkeervergunning waar het in deze zaak om gaat een gehandicaptenvergunning voor bewoners die op naam stond van de moeder van eiseres. Deze parkeervergunning is alleen geldig in combinatie met een geldige Europese gehandicaptenkaart. De moeder van eiseres had een Europese gehandicaptenkaart en een gehandicaptenparkeervergunning voor bewoners. De parkeervergunning was weliswaar gekoppeld aan het kenteken van eiseres, maar hij mocht alleen worden gebruikt als de vergunninghouder, dus de moeder van eiseres, meereed in het voertuig. Toen de moeder van eiseres was overleden, was geen sprake meer van een geldige parkeervergunning. Eiseres mocht de parkeervergunning niet meer gebruiken, alleen al om de reden dat haar moeder niet meer als passagier in het voertuig aanwezig kon zijn. Dat de parkeervergunning aan het kenteken van eiseres was gekoppeld en dat eiseres de kosten voor de parkeervergunning voor haar moeder heeft betaald, maakt dit niet anders.
3.5.
Dat eiseres niet wist dat de parkeervergunning van haar moeder was ingetrokken maakt niet dat de naheffingsaanslag niet aan eiseres kon worden opgelegd. De rechtbank vindt namelijk dat eiseres wel had moeten en kunnen weten dat de parkeervergunning gebonden was aan haar moeder en dat zij deze niet mocht gebruiken als haar moeder niet als passagier met haar meereed. Deze informatie is te vinden op de website van de gemeente en staat in de voorwaarden van de parkeervergunning. Eiseres kon daarvan ook op de hoogte zijn aangezien zij de vergunning voor haar moeder heeft aangevraagd.
3.6.
Omdat de uitspraak op bezwaar onjuist is gemotiveerd bevat het besluit een gebrek. De rechtbank overweegt dat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad, omdat de heffingsambtenaar in beroep duidelijk heeft toegelicht waarom de naheffingsaanslag terecht is geweest. De rechtbank zal daarom het schenden van het motiveringsbeginsel met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht passeren. De heffingsambtenaar zal wel, zoals hij ook heeft toegezegd, het griffierecht aan eiseres moeten vergoeden.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd. Omdat sprake is van een motiveringsgebrek ziet de rechtbank aanleiding om de heffingsambtenaar op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.
Dictum
verklaart het beroep ongegrond,
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51,- aan eiseres moet vergoeden.
griffier
rechter
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.