Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-09-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:5444
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,829 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.202.712-24
Datum uitspraak: 4 september 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 26 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 juni 2024 door het Amtsgericht Düsseldorf, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. H. Sazoglu, advocaat in Den Haag.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing daarvan.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een Untersuchungshaftbefehl van het Amtsgericht Düsseldorf van 21 juni 2024 met zaaknummer 153 Gs 519/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 18 en 28, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal
opzettelijke brandstichting
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Onschuldverweer
De opgeëiste persoon verklaart niet schuldig te zijn aan de feiten. Ten tijde van de feiten waarvan hij wordt verdacht zou hij in casino Avifauna zijn geweest. Hij heeft in dit verband een uittreksel uit zijn persoonsdossier van Avifauna met ‘gast-informatie’ overgelegd, maar camerabeelden van het casino en het nabijgelegen pompstation kunnen zijn verhaal definitief bevestigen. Verzocht wordt aan de officier van justitie om deze beelden ten behoeve van de verdediging veilig te stellen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onschuldverweer niet slaagt en dat zij de camerabeelden niet ten behoeve van de verdediging kan veiligstellen, omdat er geen strafrechtelijke procedure in Nederland aanhangig is.
Het verzoek van de opgeëiste persoon om het onderzoek ter zitting te schorsen om camerabeelden te laten veiligstellen, is door de rechtbank reeds ter zitting afgewezen. In het kader van een onschuldverweer dient de opgeëiste persoon immers tijdens het verhoor ter zitting zijn onschuld aan te tonen.
Nu dit niet is gebeurd, leidt de onschuldbewering alleen om die reden al niet tot weigering van de overlevering.
6De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Hoofdofficier van Justitie (Leitende Oberstaatsanwältin) van Düsseldorf heeft op 30 juli 2024 de volgende garantie ten behoeve van de opgeëiste persoon gegeven:
Onder verwijzing naar uw schrijven per e-mail van 29 juli 2023 wordt verzekerd dat de vervolgde persoon in geval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op grond van de geldende versie van Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 van 5 december 2008, blz. 27) voor de verdere tenuitvoerlegging van het strafvonnis naar Nederland wordt teruggezonden.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Düsseldorf, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M.C. Danel en R.W.L. Koopmans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 september 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rechtbank Amsterdam, 19 augustus 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4340.