Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-08-29
ECLI:NL:RBAMS:2024:5405
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,964 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/157192-24
Datum uitspraak: 29 augustus 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 4 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 28 april 2023 door the Circuit Court in Kalisz (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding en de schorsing daarvan bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
a sentence of 7 April 2017 by the District Court in Ostrów Wlkp., maintained by a sentence of 9 November 2017 by the Circuit Cout in Kalisz, a decision of
7 May 2018 by the District Court in Kalisz ordering enforcement of the custodial sentence, met referenties II K 430/16, III Ka 206/17 en VIII Ko 66/18;
a sentence of 23 February 2017 by the District Court in Kalisz, maintained by a sentence of 18 July 2017 by the Circuit Court in Kalisz, met referenties VII K 555/16, III Ka 44/17 en VII K 555/16.
De overlevering wordt voor het onder I genoemde arrest verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar.
Ten aanzien van het onder II genoemde arrest wordt de overlevering verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 3 maanden. Van laatstgenoemde straf resteren nog 1 jaar, 2 maanden en 28 dagen.
Beide vrijheidsstraffen zijn door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat en zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde arresten. Deze arresten betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om aanhouding van de zaak. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het onduidelijk is op welke wijze de opgeëiste persoon, die zelf niet op de zittingen aanwezig is geweest, voor de verschillende procedures is gedagvaard/opgeroepen. Ook is onduidelijk of de advocaat van de opgeëiste persoon op alle zittingen aanwezig is geweest. Daarnaast is steeds onduidelijk of de informatie uit het EAB ziet op de procedures in eerste aanleg of op de procedures in hoger beroep. De behandeling moet worden aangehouden om de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten op de al gestelde en nog niet beantwoorde vragen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie dienen enkel de twee procedures in hoger beroep te worden getoetst aan artikel 12 OLW. De beslissing tot tenuitvoerlegging van de onder I bedoelde beslissing hoeft niet aan artikel 12 OLW te worden getoetst, omdat deze tenuitvoerlegging is bevolen vanwege een overtreding door de opgeëiste persoon van aan hem opgelegde bijzondere voorwaarden.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat op basis van de informatie uit het EAB en de verklaring van de opgeëiste persoon zelf over de procedures in hoger beroep valt vast te stellen dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Een antwoord op de nog niet beantwoorde vragen aan Polen is niet nodig voor de beoordeling in het kader van artikel 12 OLW.
Subsidiair heeft de officier van justitie zich aangesloten bij het verzoek van de raadsman.
Oordeel van de rechtbank
Voor zowel de hiervoor onder I als de hiervoor onder II genoemde beslissingen geldt het volgende.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Dit brengt met zich mee dat enkel de procedures die hebben geleid tot de arresten van the Circuit Court in Kalisz van 9 november 2017 (III Ka 206/17) en 18 juli 2017 (III Ka 44/17) aan artikel 12 OLW getoetst dienen te worden.
De vrijheidsstraf die hoort bij het onder I genoemde arrest is blijkens het EAB aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van 7 mei 2018 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 7 augustus 2024 blijkt dat de tenuitvoerlegging is bevolen omdat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan reclasseringstoezicht.
Dictum
Voor de procedures die hebben geleid tot de arresten van the Circuit Court in Kalisz van
9 november 2017 (III Ka 206/17) en 18 juli 2017 (III Ka 44/17) geldt het volgende. Uit onderdeel d) van het EAB en de verklaring van de opgeëiste persoon zelf tijdens zijn verhoor bij de officier van justitie op 4 juni 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de processen die tot de arresten hebben geleid, maar dat hij wel op de hoogte was van de voorgenomen processen en een door hem gekozen advocaat (genaamd Wojnarowski) heeft gemachtigd zijn verdediging tijdens die processen te voeren. Dit heeft die advocaat ook daadwerkelijk gedaan. Daarmee is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW.
Gelet op het bovenstaande doet de in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. De rechtbank ziet, gelet op de verklaring van de opgeëiste persoon die de mogelijke onduidelijkheden in het EAB wegneemt, geen reden om de antwoorden op de al aan Polen gestelde vragen af te wachten en wijst daarom het aanhoudingsverzoek van de raadsman af.
5Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het onder 4 genoemde strafbare feit aan als vallend onder de zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 20, te weten:
oplichting
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het onder IV genoemde feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de onder 1, 2 en 3 genoemde feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
feit 1:
medeplegen van oplichting
feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
feit 3:
verduistering
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunten van de raadsman en officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en dat de overlevering derhalve geweigerd moet worden onder gelijktijdige overname van de tenuitvoerlegging van de straffen in Nederland.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 7 augustus 2024 volgt dat de in het EAB genoemde veroordelingen er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen. Ook het aangekruiste lijstfeit levert naar Nederlands recht een strafbaar feit op (te weten: het medeplegen van oplichting). Ook uit deze Nederlands kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf die hoort bij dat feit niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt.
De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
Uit het voorgaande volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 311, 321 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Kalisz (Polen).
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Een bevel hiertoe is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 augustus 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.
De verklaring van de opgeëiste persoon tijdens het verhoor door de officier van justitie luidt: “het klopt dat mijn advocaat, op mijn verzoek, in hoger beroep in beide procedures mijn verdediging heeft gevoerd. Hij heet: Wojnarowski. Ik heb hem een volmacht gegeven.”