Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-08-28
ECLI:NL:RBAMS:2024:5350
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,554 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/482
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder (het college),
(gemachtigde: mr. S. Ramcharan).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit Amsterdam (vergunninghouder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan vergunninghouder verleende splitsingsvergunning.
1.1.
Op 1 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft het college een splitsingsvergunning aan vergunninghouder verleend. Met het bestreden besluit van 7 december 2023 op het bezwaar van eiseres is het college bij verlening van de vergunning gebleven en heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college, vergezeld door [de persoon 1] ( [functie 1] ) en [de persoon 2] ( [functie 2] ) en namens vergunninghouder waren aanwezig [de persoon 3] en [de persoon 4] ( [functie 3] ).
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Vergunninghouder is eigenaar van de panden op de adressen [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in Amsterdam. Vergunninghouder heeft voor het pand [adres] [huisnummer 1] een splitsingsvergunning aangevraagd.
2.1.
Met het primaire besluit heeft het college een splitsingsvergunning verleend voor het splitsen van het kadastrale recht op het pand [adres] [huisnummer 1] (het pand) in Amsterdam in zeven appartementsrechten, waarvan elk appartementsrecht de bevoegdheid geeft tot het gebruik van een deel van het gebouw als zelfstandige woonruimte.
2.2.
Eiseres huurt sinds oktober 2010 een van de appartementen in het pand ( [huisnummer 1] ) en heeft bezwaar gemaakt tegen de splitsingsvergunning.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Het college legt daaraan ten grondslag dat de splitsingsvergunning slechts voorziet in publiekrechtelijke toestemming om de eigendom van het pand om te zetten in appartementsrechten en dat er feitelijk geen nieuwe woningen ontstaan. De splitsing heeft volgens het college geen invloed op de woonsituatie en het woonrecht van eiseres. Het appartement dat eiseres huurt, is ook geen onderdeel van de splitsing. Daarnaast zijn er in het besluit geen eisen gesteld aan vergunninghouder om bouwkundige werkzaamheden te verrichten aan het pand en om deze in overeenstemming te brengen met de voorwaarden die zijn opgenomen in de splitsingsvergunning. Daarom heeft eiseres geen belang dat rechtstreeks wordt getroffen door de splitsingsvergunning en is zij niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college verklaart het bezwaar van eiseres daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Vanwege de kennelijkheid, heeft het college eiseres niet uitgenodigd voor een hoorzitting.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Onder een belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen van de activiteit wel zijn vast te stellen, maar deze voor de woon- en leefsituatie van de betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.
4.1.
Voor de beoordeling van de vraag of een huurder belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, is bepalend in hoeverre de splitsingsvergunning van invloed is op zijn woonsituatie.
4.2.
In paragraaf 5 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (Hvv) staat de aanvraagprocedure voor een splitsingsvergunning beschreven. In artikel 3.5.3 van de Hvv staat welke documenten bij de aanvraag moeten worden ingediend. In het derde lid van dit artikel is opgenomen: “In aanvulling op het eerste lid wordt tevens een door de eigenaar ondertekende verklaring inzake deelname aan de Gedragscode splitsen Amsterdam overgelegd.”
4.3.
In paragraaf 6 van de Hvv staan de weigeringsgronden opgenomen op grond waarvan het college de splitsingsvergunning kan weigeren.
Is er strijd met de goede procesorde?
5. Eiseres voert allereerst aan dat zij het verweerschrift niet binnen de voorgeschreven tien-dagen termijn heeft ontvangen (de maandagmiddag voorafgaand aan de zitting) en dat de rechtbank dit stuk daarom buiten beschouwing moet laten. Zij is door de late toezending in haar belang geschaad, omdat zij twee nachten heeft moeten doorwerken om het stuk te doorgronden. Daarnaast stelt eiseres dat zij ook in haar belang is geschaad doordat zij niet binnen de tien-dagen termijn op de hoogte is gesteld van de deelname van vergunninghouder aan de procedure. Had zij dit eerder geweten, dan had zij mogelijk nog iemand mee kunnen nemen naar de zitting om haar te ondersteunen.
5.1.
Partijen kunnen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift vloeit voort uit de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor en beoogt de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Naar het oordeel van de rechtbank is van strijd met de goede procesorde geen sprake. Het verweerschrift is een herhaling van eerder door het college ingenomen standpunten en beslaat inhoudelijk slechts twee pagina’s. Eiseres moet voldoende in staat zijn geweest zich hierop voor te bereiden. De rechtbank laat het verweerschrift daarom toe. Ook verbindt de rechtbank geen gevolgen aan de late deelname van vergunninghouder aan deze procedure. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres hierdoor in haar belang is geschaad, terwijl ook eiseres zelf niet nader heeft toegelicht hoe haar positie als procespartij hierdoor is benadeeld.
Kan eiseres worden aangemerkt als belanghebbende?
6. De rechtbank stelt voorop dat de splitsingsvergunning slechts voorziet in publiekrechtelijke toestemming om de eigendom van het pand om te zetten in appartementsrechten. De splitsingsvergunning kan mogelijke gevolgen met zich brengen voor de relatie tussen eiseres en vergunninghouder, maar dit levert eiseres niet zonder meer een rechtstreeks bij de splitsingsvergunning betrokken belang op. De rechtbank gaat hieronder in op de vraag of eiseres als belanghebbende kan worden aangemerkt.
WOZ-waarde
7. Eiseres voert aan dat zij belanghebbende is bij het bestreden besluit nu de splitsingsvergunning invloed heeft op haar woonsituatie. Door de splitsing is kadastraal een kelder aan haar woning toegevoegd waarvan zij geen gebruik kan maken. De kelder heeft echter wel invloed op de hoogte van de WOZ-waarde en daarmee op de toekomstig, maximaal door haar te betalen huurprijs.
7.1.
De rechtbank begrijpt dat de splitsingsvergunning mogelijk financiële nadelige gevolgen voor eiseres met zich mee kan brengen, maar dit heeft geen invloed op haar woonsituatie. Eiseres heeft een huurovereenkomst gesloten en daar kan de splitsingsvergunning niet aan afdoen. Bovendien heeft vergunninghouder op de zitting verklaard dat zo lang het huurcontract tussen eiseres en vergunninghouder geldt, alleen een indexering van de huurprijs aan de orde is.
De Gedragscode Splitsen
8. Eiseres voert verder aan dat vergunninghouder met opzet na de werkzaamheden een splitsingsvergunning heeft aangevraagd om de Gedragscode Splitsen (de Gedragscode) te omzeilen. Ook heeft vergunninghouder onrechtmatig gehandeld in het splitsingsproces door de vergunningsaanvraag niet naar waarheid in te vullen en zich niet aan de Gedragscode te houden. Schending van de Gedragscode leidt er volgens eiseres toe dat het college de splitsingsvergunning niet had mogen verlenen. Nu de splitsingsvergunning al is verleend, leidt schending van de Gedragscode ertoe dat het college de splitsingsvergunning had moeten intrekken, omdat het naleven van de Gedragscode een voorwaarde is uit de splitsingsvergunning. Tot slot handelt het college in strijd met het eigen splitsingsbeleid door eiseres niet als belanghebbende aan te merken en concludeert het college ten onrechte in de splitsingsvergunning dat er geen nieuwe woningen zijn ontstaan.
8.1.
De rechtbank volgt deze standpunten niet. In artikel 3.6.1 en verder van de Hvv staat vermeld in welke situaties het college een splitsingsvergunning kan weigeren. Het niet-naleven van de Gedragscode is daar geen van. Het niet naleven van de Gedragscode door vergunninghouder is daarom geen reden voor het college om de splitsingsvergunning te moeten weigeren. Dit staat nog los van het gegeven dat de bepalingen vanaf artikel 3.6.1 en verder van de Hvv niet dwingend zijn geformuleerd, maar het college de ruimte bieden om daarin een eigen afweging te maken (het is een zogenoemde ‘kan-bepaling’). De Gedragscode beschrijft de omgang tussen de eigenaar/verhuurder en de huurders tijdens het splitsingsproces. Daarin staat ook beschreven dat een huurder naar een geschillencommissie kan stappen als de afspraken niet worden nagekomen en dat huurders een klacht kunnen indienen bij !WOON. Verder handelt het college naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met haar splitsingsbeleid door eiseres niet als belanghebbende aan te merken. Het hebben van een belang bij de splitsing en bij de naleving van de Gedragscode is iets anders dan het zijn van belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
8.2.
De rechtbank oordeelt daarnaast dat het college ook niet gehouden was om de splitsingsvergunning in te trekken als vergunninghouder de Gedragscode niet zou hebben nageleefd. In artikel 3.5.3, derde lid van de Hvv staat weliswaar dat een eigenaar bij het aanvragen van een splitsingsvergunning een ondertekende verklaring over deelname aan de Gedragscode dient te voegen, maar dat betekent nog niet dat het naleven van de Gedragscode als voorschrift aan de splitsingsvergunning is verbonden.
Conclusie
12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de woonsituatie van eiseres niet wordt gewijzigd door het verlenen van de splitsingsvergunning aan vergunninghouder. Nu het woonrecht van eiseres geëerbiedigd blijft door de splitsingsvergunning, heeft het college terecht geconcludeerd dat eiseres geen belanghebbende is bij de splitsingsvergunning. Het college heeft het bezwaar van eiseres daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de bespreking van de inhoudelijke beroepsgronden.
12.1.
Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4279, en 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4079.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2010:BM9680, r.o. 2.5.
Geldend van 16 januari 2023 tot en met 31 december 2023.
Zie artikel 8:58, eerste lid, van de Awb.
In de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
In de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.