Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-08-14
ECLI:NL:RBAMS:2024:5243
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,172 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/752853 / KG ZA 24-544 VVV/MvG
Vonnis in kort geding van 14 augustus 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie bij dagvaarding van 2 juli 2024,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. Y.M. van Vliet te Haarlem,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. A.J. Robbers te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
Procesverloop
Tijdens de mondelinge behandeling op 31 juli 2024, waar partijen en hun advocaten bij aanwezig waren, heeft [eiser] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd mede aan de hand van een tevoren ingediende conclusie van antwoord en tevens een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld. [eiser] heeft de tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en [gedaagde] tevens een pleitnotitie. Vonnis is bepaald op heden.
Feiten
2.1.
Partijen zijn op 27 juni 2013 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Op 7 februari 2024 heeft deze rechtbank de echtscheiding uitgesproken tussen partijen.
2.2.
Partijen hebben samen een volwassen zoon en [eiser] heeft uit een eerdere relatie nog een volwassen zoon, [naam zoon] .
2.3.
Bij beschikking van 24 mei 2023 betreffende voorlopige voorzieningen van deze rechtbank is bepaald dat [eiser] bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] . Redengevend daarvoor was dat deze rechtbank voorshands tot het oordeel kwam dat de woning privé-eigendom is van [eiser] .
2.4.
Tussen [gedaagde] enerzijds en [eiser] en zijn zoon [naam zoon] anderzijds is een bodemprocedure aanhangig bij deze rechtbank. Dat geschil draait om de vennootschap onder firma (vof) [naam vennootschap] . Aanvankelijk exploiteerde [gedaagde] [naam vennootschap] in de vorm van een eenmanszaak. Op enig moment is de eenmanszaak omgezet in een vof. Partijen hebben geen authentieke of onderhandse akte laten opstellen. [eiser] en [gedaagde] staan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd als vennoot van [naam vennootschap] . Op enig moment is ook [naam zoon] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven als vennoot van [naam vennootschap] . [gedaagde] vorderde in die procedure aanvankelijk een verklaring voor recht dat [naam zoon] geen vennoot is van [naam vennootschap] . [eiser] stelt zich in die procedure op het standpunt dat [gedaagde] geen vennoot is van [naam vennootschap] en slechts om fiscale redenen op papier vennoot is geworden. Nadat [eiser] de vof met [gedaagde] tegen 1 september 2023 had beëindigd, heeft [gedaagde] haar vordering in de bodemprocedure gewijzigd, in die zin dat zij de verdeling van [naam vennootschap] per 1 september 2023 vordert met benoeming van een vereffenaar. Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding hebben partijen meegedeeld dat in de bodemprocedure op 7 augustus 2024 dan wel drie weken later vonnis wordt gewezen.
2.5.
Bij beschikking van 30 mei 2024 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is aan [gedaagde] verlof verleend om ten laste van [eiser] conservatoir beslag te leggen op zijn aandeel in de woning aan de [adres 1] , met begroting van de vordering inclusief rente en kosten op € 344.500,00. Het verlof is verleend op grond van de door [gedaagde] gestelde vordering uit hoofde van de verdeling van [naam vennootschap] . In de beschikking staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) Echter, tegenover het als productie 11 overgelegde taxatierapport van de onderneming van € 530.000,-- heeft verzoekster onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de onderneming € 1.100.000,-- waard is. Weliswaar heeft verzoekster een contraexpertise overgelegd, maar volgt hier niet uit wat de waarde volgens die adviseur dan wel zou zijn. Daarom wordt vooralsnog uitgegaan van de waarde zoals vermeld in het taxatierapport en is deze vordering tot de helft van dit bedrag summierlijk deugdelijk.”.
2.6.
[gedaagde] heeft vervolgens op 30 mei 2024 beslag laten leggen op het aandeel van [eiser] in de woning aan de [adres 1] . Het beslag is op 4 juni 2024 overbetekend aan [eiser] .
2.7.
Partijen hebben gezamenlijk in eigendom, voor zover van belang, de woningen aan de [adres 2] en [adres 3] . Bij beschikking van 4 juli 2024 betreffende de echtscheiding en nevenvoorzieningen van deze rechtbank is de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, voor zover van belang en samengevat, als volgt verdeeld:
- [eiser] wordt in de gelegenheid gesteld het aandeel van [gedaagde] in de woning aan de [adres 3] over te nemen, en als hem dat niet lukt, moet de woning aan een derde worden verkocht;
- [gedaagde] wordt in de gelegenheid gesteld het aandeel van [eiser] in de woning aan de [adres 2] over te nemen, en als haar dat niet lukt, moet de woning aan een derde worden verkocht;
- [gedaagde] dient in totaal € 234.115,22 aan [eiser] te voldoen;
- [eiser] dient in totaal € 76.367,00 aan [gedaagde] te voldoen.
2.8.
De woningen aan de [adres 2] en [adres 3] zijn beide vrij hypotheek en hebben beide een geschatte waarde van € 550.000,00.
Geschil
3.1.
[eiser] vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. het krachtens het beslagverlof van 30 mei 2024 op 4 juni 2024 (en eventueel nadien) door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde beslag op de [adres 1] op te heffen en te bepalen dat opheffing dient plaats te vinden binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom;
II. de vordering van [gedaagde] te herbegroten, althans te verlagen tot hoogstens 1/3 van de door [gedaagde] gestelde en door [eiser] betwiste waarde van [naam vennootschap] , althans een in goede justitie te bepalen hoogte, en het beslag gedeeltelijk op te heffen en te bepalen dat de gedeeltelijke opheffing moet plaatsvinden binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom;
III. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.
Geschil
4.1.
[gedaagde] vordert, samengevat en op voorwaarde dat de vordering in conventie wordt afgewezen, haar vordering waarvoor zij op grond van het beslagverlof beslag mag leggen te herbegroten tot een bedrag van € 690.000,00, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [eiser] in de proces- en nakosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[eiser] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.
5.2.
Ingeval de schuldenaar voldoende verhaal biedt, en er geen verduistering te duchten is, dan wel er op andere wijze zekerheid is voor verhaal kan een beslag als onnodig worden aangemerkt, na afweging van de belangen van partijen over en weer. Dat is hier het geval. Daarvoor is het volgende redengevend.
5.3.
[gedaagde] stelt dat haar vordering op [eiser] uit hoofde van de verdeling van [naam vennootschap] (veel) hoger is dan het bedrag zoals begroot in het beslagverlof. Dit is echter een herhaling van haar standpunt in het beslagverzoek. Er is een taxatierapport waarin de waarde van [naam vennootschap] wordt begroot op € 530.000,00. [gedaagde] doet een beroep op een contraexpertise. Daarin staat vooral wat er niet zou kloppen aan het taxatierapport, maar daar staat niet in wat [naam vennootschap] dan wel waard zou moeten zijn. [gedaagde] komt aan de hand van de contraexpertise zelf tot de conclusie dat [naam vennootschap] € 1.100.000,00 waard is. Verder staat niet vast, dat ligt thans voor in een bodemprocedure, of [gedaagde] een vordering heeft op [eiser] en zo ja, of zij recht heeft op de helft van de waarde van [naam vennootschap] of slechts op de helft van de waardevermeerdering van [naam vennootschap] na haar toetreden. [gedaagde] heeft in ieder geval onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde vordering op [eiser] hoger is dan zoals begroot in het beslagverlof.
5.4.
In het beslagverzoek is niet aan de orde geweest dat partijen beschikken over andere activa dan de woning waarop beslag is gelegd. Onder die activa bevinden zich twee woningen waarvan partijen gezamenlijk de eigenaar zijn. Beide woningen zijn vrij van hypotheek en zij hebben elk een geschatte waarde van € 550.000,00. In het beslagverzoek heeft [gedaagde] aangevoerd te vrezen dat [eiser] de [adres 1] , waarvan zij stelt dat die woning in de huwelijksgoederengemeenschap valt, zal verduisteren. Ten aanzien van de twee woningen aan de [adres 2] kan die vrees niet bestaan. Zonder de medewerking van [gedaagde] kan [eiser] die woningen niet verkopen. Daarmee is voldoende gewaarborgd dat [gedaagde] , mocht de uitkomst van de bodemprocedure zijn dat [gedaagde] een vordering heeft op [eiser] , verhaal voor haar toewezen vordering zal kunnen vinden. Dat maakt het beslag onnodig.
5.5.
Daar komt nog bij dat [eiser] op grond van de beschikking van 4 juli 2024 een aanzienlijke vordering heeft op [gedaagde] . Zo nodig kan [gedaagde] haar vordering op [eiser] verrekenen met de vordering die hij op haar heeft.
5.6.
Het belang van [eiser] bij het opheffen van het conservatoire beslag op zijn woning is gegeven. Dit ligt voor hem in de mogelijkheid van hypotheekvestiging in verband met de financiering van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap. Nu het belang van [gedaagde] bij verzekering van het verhaal van haar vordering is gewaarborgd, valt de belangenafweging uit in het voordeel van [eiser] .
5.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van [eiser] zal worden toegewezen. Om praktische reden zal de voorzieningenrechter het beslag (en de eventueel nadien gelegde beslagen) zelf opheffen. In dat geval hoeft niet, zoals gevorderd, ook nog bepaald te worden dat [eiser] het beslag op straffe van een dwangsom binnen twee dagen moet opheffen. Dat deel van de vordering zal daarom worden afgewezen. Omdat het beslag wordt opgeheven, heeft [eiser] geen belang bij herbegroting van de vordering, zodat ook zijn vordering onder 3.1 onder II zal worden afgewezen.
5.8.
De proceskosten zullen, zoals gebruikelijk in geschillen tussen ex-partners, worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Beoordeling
6.1.
Omdat aan de voorwaarde waaronder de voorwaardelijke eis reconventie is ingesteld niet wordt voldaan, behoeft deze geen beoordeling.
Dictum
De voorzieningenrechter
7.1.
heft op het op grond van het beslagverlof van 30 mei 2024 op 4 juni 2024 (en eventueel nadien) door [gedaagde] ten laste van [eiser] gelegde conservatoire derdenbeslag op de woning aan de [adres 1] ,
7.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
7.3.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
7.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2024.
type: MvG
coll: MA