Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-08-08
ECLI:NL:RBAMS:2024:4950
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,242 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/990
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiseres 1] , te Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. B.C.F. Kramer)
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigden: mr. A. van der Linden en mr. A. Strooper).
Procesverloop
Met dagtekening 17 maart 2023 heeft verweerder de “afsluitende brief Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV)” verzonden.
Met het besluit van 20 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft voorafgaande aan de zitting nog enkele vragen gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2024. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. De rechtbank overweegt dat het beroep formeel is ingesteld op naam van [gedupeerde] . Ook in de reactie op de aanvullende vragen van de rechtbank spreekt de gemachtigde van eiseres van [gedupeerde] . De afsluitende brief FSV van 17 maart 2023, het bezwaar en het bestreden besluit staan echter op naam van [eiseres 1] , zijn echtgenote. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat zij een fout heeft gemaakt. Het beroep zou op naam moeten staan van [eiseres 1] .
2. Ook verweerder meent dat het in deze procedure om [eiseres 1] gaat. Dat komt namelijk overeen met de tenaamstelling in het dossier tot aan het bestreden besluit en met de tekst van het bestreden besluit. De rechtbank heeft dit echter niet verwerkt, waardoor deze zaak is blijven staan op naam van [gedupeerde] .
3. Als de rechtbank ervan uitgaat dat [gedupeerde] eiser is in deze procedure, zoals vermeld in het beroepschrift, dan zou het beroep niet-ontvankelijk zijn onder meer op grond van artikel 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft immers geen bezwaar en geen beslissing op bezwaar op naam van [gedupeerde] , maar op naam van [eiseres 1] . [gedupeerde] is geen belanghebbende. Er is wel een FSV-brief op naam van [gedupeerde] , maar daartegen heeft [gedupeerde] bezwaar gemaakt, welke procedure nog in de fase van aanvulling van gronden verkeert. Een beroep daartegen is dus op zijn minst prematuur.
De rechtbank merkt in deze procedure [eiseres 1] aan als eiseres en zal niet oordelen over mogelijke aanspraken van [gedupeerde] .
4. Daarover is ter zitting ook gesproken. Verweerder heeft ter zitting onbetwist gesteld dat alleen gedupeerden van de toeslagenaffaire in aanmerking kunnen komen voor een compensatie in verband met een FSV-registratie. Verweerder heeft daarbij onbetwist gesteld dat [gedupeerde] is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij zou mogelijk (anders dan [eiseres 1] ) wel voor compensatie in aanmerking komen. De rechtbank gaat daar ook van uit. Dit spoort namelijk ook met de onbestreden schriftelijke mededeling van verweerder in het dossier dat [eiseres 1] geen nadelige gevolgen heeft ondervonden van de FSV-registratie. De rechtbank begrijpt die mededeling zo dat met name niet is gebleken van een financieel nadeel uit de FSV-registratie voor [eiseres 1] naast haar echtgenoot [gedupeerde] , Hetgeen in bezwaar door [eiseres 1] is geschetst had ook juist betrekking op de hele gezinssituatie, waarvoor nog een procedure loopt. Verweerder kan de gehele gezinssituatie betrekken bij de nog ten aanzien van [gedupeerde] te nemen beslissing op bezwaar. Ook in dat opzicht bestaat er geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
5. De rechtbank overweegt dat beide invalshoeken geen grond opleveren voor vernietiging van het op naam van [eiseres 1] bestreden besluit. Van een andere aangevoerde vernietigingsgrond is niet gebleken. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
Conclusie
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
7. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de door eiseres gemaakte proceskosten of een vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.R. Tijselink, rechter, in aanwezigheid vanmr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.