Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-15
ECLI:NL:RBAMS:2024:4903
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Wraking
2,006 tokens
Dictum
[verzoeker]
,
verzoeker,
advocaat mr. D.J. Ruessink,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. H.M. Patijn, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.
1
Procesverloop
De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
het verzoekschrift met bijlagen van 3 juni 2024;
de schriftelijke reactie van de rechter met bijlagen van 10 juni 2024.
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 juli 2024. Verschenen zijn verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde en de rechter, vergezeld door haar teamvoorzitter. Namens de wederpartij van verzoeker is mr. M.H.J. van Riessen verschenen. Bij de mondelinge behandeling heeft mr. Ruessink spreekaantekeningen overgelegd.
Feiten
Bij de rechter is een procedure aanhangig met zaaknummer 10801862 CV / EXPL 23-14701. Verzoeker is gedaagde partij in conventie, eiser in reconventie.
Verzoeker huurt een woning van zijn wederpartij. Deze heeft de uitspraak van de Huurcommissie van 27 juli 2023, waarbij onder andere de aanvangshuur van de door verzoeker gehuurde woning is verlaagd, aan de rechter voorgelegd. De dagvaarding van wederpartij is één dag te laat door de deurwaarder aan verzoeker betekend. Verzoeker heeft zich beroepen op de termijnoverschrijding en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. De rechter heeft bij tussenvonnis van 24 mei 2024 geoordeeld dat sprake is van zulke bijzondere omstandigheden, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is de geringe termijnoverschrijding aan wederpartij tegen te werpen (rechtsoverweging 4.7.).
3Het verzoek en de gronden daarvan
Motivering
De uitlatingen die de rechter volgens verzoeker op de mondelinge behandeling heeft gedaan, en die de stelling van verzoeker ondersteunen dat sprake is van partijdigheid zijn de volgende:
de rechter gaf te kennen dat zij een hekel had aan termijnen, want dan kon zij als rechter niets meer;
de rechter zei dat de balans in de uitspraak van de Huurcommissie zoek was;
De rechter vroeg in het kader van de vraag of een schikking mogelijk was: “Is uw cliënt een aardige man?”
De rechter overwoog: “misschien moeten we de kale huur en de servicekosten uit de uitspraak nemen als nieuwe totale huur, dan is er ook niet elk jaar het gedoe van afrekenen.”
Volgens verzoeker is het fundamenteel onjuist en strijdig met vaste rechtspraak van de Hoge Raad (bijvoorbeeld Hoge Raad 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413) dat de rechter bij de beoordeling van de termijnoverschrijding een afweging heeft gemaakt van de belangen van partijen. Alleen al door dat fundamenteel onjuiste toetsingskader lijdt, naar objectieve maatstaven gemeten de rechterlijke onpartijdigheid schade of zou deze schade kunnen lijden. De Hoge Raad heeft uitdrukkelijk bepaald wat het toetsingskader moet zijn, namelijk of sprake is van apparaatsfouten, maar ook wat het toetsingskader niet moet zijn, namelijk de belangen van partijen, de relatief geringe termijnoverschrijding of een combinatie daarvan. Daarnaast is de rechter uitgegaan van aantoonbaar onjuiste feiten en omstandigheden. Kennelijk heeft de rechter medelijden met de wederpartij.
4De reactie van de rechter
De rechter berust niet in de wraking. De rechter heeft in haar schriftelijke reactie aangevoerd dat de motivering van het tussenvonnis in het licht van alle omstandigheden en naar objectieve maatstaven gemeten niet als blijk van vooringenomenheid kan worden verstaan.
5De reactie van de wederpartij
Het verzoek is ongegrond. Kennelijk bevalt het oordeel van de rechter verzoeker niet. Dat betekent niet dat de rechter daarom partijdig is. De rechter heeft zich juist heel begaan getoond met beide partijen.
6
6. De gronden van de beslissing
6.1.
Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomen is, althans dat de bij verzoeker(s) bestaande vrees dat de rechter niet onpartijdig dan wel vooringenomen is, objectief is gerechtvaardigd.
6.2.
In zijn arrest van 25 september 2018 (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) heeft de Hoge Raad overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de Wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Bij de beantwoording van de vraag of de motivering van een dergelijke (tussen)beslissing getuigt van vooringenomenheid, moet uitgangspunt zijn dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de Wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
6.3.
Het verwijt is volgens verzoeker gericht tegen de motivering van de beslissing van de rechter. Volgens verzoeker heeft de rechter een onjuist toetsingskader gebruikt, te weten een subjectief toetsingskader in plaats van objectief. Zoals hierboven is weergegeven kan eventuele onjuistheid van de motivering echter in beginsel geen grond vormen voor wraking. Ook is - naar objectieve maatstaven gemeten - uit de motivering niet (de schijn van) partijdigheid af te leiden. De gestelde uitlatingen van de rechter zouden erop kunnen wijzen dat de rechter een bepaalde uitkomst van de zaak onbevredigend zou vinden, of dat zij haar bedenkingen had bij de uitspraak van de Huurcommissie, maar daarmee zijn die opmerkingen nog geen aanwijzing van partijdigheid. De opmerkingen in het kader van een mogelijke schikking geven evenmin aanleiding om partijdigheid te vrezen. Het verzoek is daarom ongegrond. Verzoeker heeft nog een beroep gedaan op een uitspraak van de Wrakingskamer van deze rechtbank van 22 oktober 2010, maar die uitspraak, en in het bijzonder het in die uitspraak gehanteerde criterium, is achterhaald door het genoemde arrest van de Hoge Raad.
7. Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek tot wraking af.
Aldus gegeven door mrs. K.A. Brunner, voorzitter, W.M. de Vries en C.A.E. Wijnker, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juli 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.