Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-29
ECLI:NL:RBAMS:2024:4699
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,532 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/1130
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Gouda, eiser
(gemachtigde: mr. B. de Jong),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.
Inleiding
1. Verweerder heeft aan eiser op 11 juni 2022 een naheffingsaanslag parkeerbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd voor een bedrag van € 86,25. Eiser heeft dit bedrag niet binnen de gestelde termijn betaald. Verweerder heeft eiser daarom op4 augustus 2022 een aanmaning gestuurd. De aanmaningskosten bedragen € 8,-.
2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanmaning. Met de uitspraak op bezwaar van 26 januari 2023, het bestreden besluit, heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 12 juli 2024 op zitting behandeld. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van [heffingsambtenaar] . Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht, niet verschenen.
Beoordeling
5. De rechtbank stelt voorop dat het beroep uitsluitend betrekking heeft op de aanmaning.
6. Eiser voert aan dat hij de naheffingsaanslag niet heeft ontvangen, waardoor de aanmaning onterecht is opgelegd.
7. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar de volledige verzendadministratie die aan eiser is toegezonden. In het dossier van de rechtbank zit echter alleen een uitdraai uit de verzendadministratie met daarop de vorderingsnummers en dagtekeningen. Verweerder heeft tijdens de behandeling ter zitting aangegeven dat de nadere bewijsstukken van de verzending van de naheffingsaanslag, waaruit blijkt wanneer het poststuk is aangeboden en bij welk postvervoersbedrijf, ten onrechte niet aan het dossier van de rechtbank zijn toegevoegd. Verweerder ziet hierin reden om het bestreden besluit te vernietigen.
8. Eiser en zijn gemachtigde waren niet aanwezig op de zitting. De rechtbank heeft daarom niet aan eiser kunnen vragen of hij gelet op het gewijzigde standpunt van verweerder het beroep wenst te handhaven. De rechtbank ziet zich daarom ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep.
9. Uit vaste rechtspraak volgt dat er niet langer sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan, indien het bestuursorgaan tijdens een beroepsprocedure geheel aan de bezwaren van eiser tegemoetkomt en het bestreden besluit vernietigt. De rechter moet dan overgaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van procesbelang, omdat de procedure niet meer tot een voor eiser gunstiger resultaat kan leiden.
10. Verweerder heeft toegezegd het bestreden besluit te vernietigen en de aanmaningskosten te laten vervallen. De beroepsprocedure kan daarom voor eiser niet meer tot een gunstiger resultaat leiden. Hierdoor is er geen sprake meer van procesbelang. De rechtbank zal het beroep van eiser daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de rechtbank geen inhoudelijk oordeel zal geven in deze zaak.
Conclusie
11. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat verweerder het bestreden besluit zal vernietigen en niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een oordeel van de rechtbank.
12. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat verweerder tijdens de beroepsprocedure het bestreden besluit vernietigt aanleiding om verweerder te veroordelen in het betalen van de proceskosten en het vergoeden van het griffierecht van eiser.
13. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser vast op € 296,25 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 310,- en een wegingsfactor van 0,25 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 875,- en een wegingsfactor van 0,25). De rechtbank stelt de wegingsfactor op 0,25 omdat zij de zwaarte van de zaak als zeer licht beoordeelt. Het beroep is slechts gericht tegen de aanmaningskosten ter hoogte van € 8,- en het niet meesturen van de bewijsstukken van de verzending van de naheffingsaanslag aan de rechtbank berust op een kennelijke vergissing door verweerder. Eiser heeft deze bewijsstukken zelf immers wel ontvangen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 296,25 aan proceskosten aan eiser;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0655.