Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-29
ECLI:NL:RBAMS:2024:4695
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
2,323 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2820
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2024 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit Amsterdam, verzoeksters
(gemachtigde: mr. A.I. Tsheichvili),
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. T.M. Senff).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting [stichting naam] Amsterdam ( [stichting naam] ), te Amsterdam
(gemachtigde: mr. J.C. Ellerman).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeksters tegen een aan [stichting naam] verleende omgevingsvergunning.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juli 2024 op zitting behandeld. Namens verzoeksters hebben [verzoeker 1] en de gemachtigde van verzoeksters deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens [stichting naam] hebben de gemachtigde van [stichting naam] , [naam 2] ( [functie 1] ) en [naam 3] ( [functie 2] ) deelgenomen.
1.3.
Op de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek geschorst en partijen de gelegenheid gegeven om nader in overleg te treden, om zo tot overeenstemming te komen met betrekking tot het opnemen van een aanvullend voorschrift in de omgevingsvergunning.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft aanleiding gezien om partijen uit te nodigen voor een voortzetting van de zitting, die op 25 juli 2024 heeft plaatsgevonden via Teams. Hierbij waren de gemachtigde van verzoeksters, de gemachtigde van verweerder, de gemachtigde van [stichting naam] en namens [stichting naam] [naam 4] ( [functie 3] ) en [naam 5] ( [functie 4] ) aanwezig.
Totstandkoming van het besluit
2.1.
Op 22 december 2022 heeft verweerder aan [stichting naam] een omgevingsvergunning verleend, voor het realiseren van een verbinding op kelderniveau tussen [stichting naam] en de naastgelegen voormalige [locatie] aan de rechterkant van [stichting naam] op de locatie [adres] [huisnummer] in Amsterdam. Verzoeksters hebben bezwaar ingediend tegen de omgevingsvergunning.
2.2.
Met het bestreden besluit van 3 oktober 2023 heeft verweerder het bezwaar van verzoeksters ongegrond verklaard. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op een advies van de bezwaarschriftencommissie van 15 september 2023. De bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd om de omgevingsvergunning in stand te laten, onder wijziging en aanvulling van de motivering. Verweerder heeft daarbij de omschrijving van de omgevingsvergunning gewijzigd in: ‘omgevingsvergunning voor het realiseren van een verbinding op kelderniveau tussen [stichting naam] en de naastgelegen voormalige [locatie] aan de rechterkant van [stichting naam] op de locatie [adres] [huisnummer] in Amsterdam en voor het gebruik van deze [locatie] als wachtruimte voor bezoekers van [stichting naam] .’ De motivering is ook aangevuld door, op grond van artikel 7.1, sub b, van de regels van het bestemmingsplan ‘Grondwaterneutrale kelders’ de omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van dit bestemmingsplan.
2.3.
Verzoeksters hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling
3.2.
De voorzieningenrechter maakt geen gebruik van de bevoegdheid om tevens uitspraak te doen in de bodemprocedure. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoeksters de beroepsgronden nog nader wensen toe te lichten. Door meteen in de bodemprocedures uitspraak te doen, zou hen die mogelijkheid worden ontnomen. De voorzieningenrechter zal zich in deze uitspraak dan ook beperken tot de beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening, dat is gericht op schorsing van de omgevingsvergunning en het staken en gestaakt houden van de werkzaamheden, op straffe van een dwangsom. Bij de beoordeling van dat verzoek gaat het om de vraag of de uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeksters een onevenredig nadeel met zich brengt in verhouding tot het belang van verweerder en dat van vergunninghouder bij onmiddellijke uitvoering daarvan.
Belangenafweging
4.1.
Het is de voorzieningenrechter gebleken dat het belang van verzoeksters voornamelijk is gelegen in de vrees dat [stichting naam] de voormalig [locatie] waar [stichting naam] de wachtruimte heeft beoogd zal gaan gebruiken als (nacht)club. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeksters met betrekking tot de omgevingsvergunning, die in deze procedure voorligt, hiervoor niet hoeven te vrezen. De omgevingsvergunning staat het gebruik van de voormalig [locatie] als club namelijk niet toe. Op de zitting is namens [stichting naam] bovendien toegelicht dat het gebruik van de voormalig [locatie] als club niet zomaar mogelijk is, zonder verdere vergunningen aan te vragen en zonder nadere werkzaamheden uit te voeren. De voorzieningenrechter volgt deze toelichting van [stichting naam] en vindt de toelichting ook aannemelijk.
4.2.
Het belang van verzoeksters is ook gelegen in hun zorgen over de aantasting van [stichting naam] als monument als gevolg van de bouwwerkzaamheden. Nog los van de vraag of er strijd is met de wettelijke bepalingen die zien op de monumentale waarden van een als beschermd monument aangewezen pand, beschermt deze monumentenwetgeving het belang van monumentenzorg. Deze norm strekt niet tot bescherming van het belang van verzoeksters. In hetgeen verzoeksters hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen verwevenheid van de individuele belangen van verzoeksters met de norm die de hiervoor genoemde monumentenwetgeving beoogt te beschermen. Ook als hun grond terecht zou zijn voorgesteld, dan staat het relativiteitsvereiste in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit.
4.3.
Het belang van verzoeksters is er verder in gelegen dat in hun directe omgeving grondwaterneutraal moet worden gebouwd. Zij hebben zich daartoe op het standpunt gesteld dat de verleende omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan ‘Grondwaterneutrale kelders’. De voorzieningenrechter overweegt dat, nog los van de vraag of er op dit punt strijd is met dat bestemmingsplan, de werkzaamheden niet onomkeerbaar zijn, ook niet het storten van beton. De inmiddels al ver gevorderde werkzaamheden zien feitelijk op het maken van een verbinding van geringe afstand tussen [stichting naam] en de al bestaande [locatie]. Op de zitting heeft het [functie 2] van [stichting naam] bevestigd dat alle werkzaamheden, mocht het nodig zijn, weer ongedaan kunnen worden gemaakt. De eventuele gevolgen voor het grondwater kunnen dus op die manier weer worden weggenomen als in de bodemprocedure blijkt dat de vergunning niet in stand kan worden gelaten.
4.4.
Tegenover de belangen van verzoeksters staan de belangen van verweerder en [stichting naam] . Zij hebben het gezamenlijk belang om (geluids)overlast voor omwonenden van [stichting naam] zo veel mogelijk te beperken. [stichting naam] wil dit doen door met de verleende omgevingsvergunning zo snel mogelijk een wachtruimte te creëren, waardoor wachtrijen inpandig kunnen worden opgesteld in plaats van in de openbare ruimte. De voorzieningenrechter vindt het aannemelijk dat dit plan een positief effect zal hebben op het woon- en leefklimaat van de directe omgeving.
4.5.
Alles tegen elkaar afwegende, vindt de voorzieningenrechter dat het belang van [stichting naam] en verweerder om het bouwplan te realiseren zwaarder moet wegen dan de belangen van verzoeksters, die daardoor niet onevenredig worden benadeeld.
4.6.
De voorzieningenrechter merkt ten slotte nog op dat, hoewel het partijen nog niet is gelukt om met elkaar tot een overeenstemming te komen met betrekking tot het opnemen van een aanvullend voorschrift in de omgevingsvergunning, zij partijen wel wil aansporen om met elkaar (hierover) in overleg te blijven treden.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Kuiken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht.