Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-24
ECLI:NL:RBAMS:2024:4664
Strafrecht; Europees strafrecht
Tussenuitspraak
3,496 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/165446-24
Datum uitspraak: 24 juli 2024
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 18 mei 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 februari 2024 door the District Court in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juli 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P.M. Langereis, advocaat te Zoetermeer en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Kielce van 5 april 2022, referentie: IX K 1330/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd en subsidiair dat nadere vragen moeten worden gesteld aan de Poolse autoriteiten, omdat met de huidige informatie niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Volgens het EAB is de dagvaarding voor de procedure die tot het vonnis heeft geleid op 15 februari 2022 in persoon aan de opgeëiste persoon uitgereikt, terwijl hij sinds februari 2022 in Nederland verbleef en uit de overgelegde stukken blijkt dat hij in die periode ook in Nederland heeft gewerkt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, nu uit het EAB volgt dat de dagvaarding voor de zitting in persoon is uitgereikt en dat de enkele ontkenning van de opgeëiste persoon dat hij de dagvaarding heeft ontvangen onvoldoende aanknopingspunten biedt om aan de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie te twijfelen en hierover nadere vragen te stellen. Te meer nu uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in februari 2022 maar een beperkt aantal uren heeft gewerkt, zodat niet kan worden uitgesloten dat hij zich op 15 februari 2022 in Polen bevond.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
In het EAB is vermeld dat de dagvaarding voor de zitting op 15 februari 2022 in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt. De opgeëiste persoon heeft echter ontkend dat hij de dagvaarding in zijn handen heeft ontvangen en heeft verklaard dat hij in februari 2022 in Nederland verbleef en heeft gewerkt. Dit is onderbouwd met informatie van het UWV waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon tussen 31 januari 2022 en 27 februari 2022 in Nederland arbeid heeft verricht. Met de raadsvrouw ziet de rechtbank in de (mogelijke) discrepantie tussen de informatie in het EAB en de onderbouwde stelling van de opgeëiste persoon aanleiding om de Poolse autoriteiten de volgende vragen te stellen om te kunnen beoordelen of de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in deze procedure zijn geëerbiedigd:
Heeft de opgeëiste persoon voor de procedure die tot het vonnis heeft geleid van the Regional Court in Kielce van 5 april 2022, referentie: IX K 1330/21, de dagvaarding op 15 februari 2022 in persoon in ontvangst genomen, inhoudende dat hij de oproep daadwerkelijk ‘in zijn eigen handen’ heeft ontvangen?
Zo nee, dan verzoekt de rechtbank ook onderstaande vragen te beantwoorden:
o Naar welk adres is de dagvaarding voor de zitting verzonden?
o Heeft de opgeëiste persoon in deze procedure een correspondentieadres opgegeven? Zo ja, welk adres was dat en is hij daarbij ook geïnstrueerd over de verplichting om adreswijzigingen aan de justitiële autoriteiten door te geven en gewezen op de mogelijke gevolgen als hij niet aan deze verplichting zou voldoen?
4Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
mishandeling, begaan tegen zijn moeder;
mishandeling, begaan tegen zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat;
mishandeling;
bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.
5De weigeringsgrond van artikel 11 OLW
5.1.
Het recht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
5.2.
Detentieomstandigheden
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden die opgelegde vrijheidsstraffen in Poolse detentie-instellingen ondergaan en heeft daartoe aangevoerd dat er structurele problemen zijn in de detentie-omstandigheden in Poolse detentie-instellingen. De raadsvrouw heeft – kort weergegeven – naar voren gebracht dat sprake is van overbevolking, dat de norm van een individuele cel van minimaal 4 m2 niet wordt gewaarborgd, dat de medische voorzieningen zeer summier zijn en dat de Poolse autoriteiten tot op heden weinig medewerking hebben verleend aan het verbeteren van de omstandigheden. Bovendien geldt voor de opgeëiste persoon een verhoogd risico op onmenselijke of vernederende behandeling en discriminatie in detentie vanwege zijn aseksuele geaardheid, nu in Polen de LGBTQI+-gemeenschap onvoldoende wordt beschermd.
Daarom heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de zaak aan te houden en aan de Poolse autoriteiten vragen te stellen over de detentie-omstandigheden in de instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst. Ook heeft de raadsvrouw verzocht een getuige-deskundige te horen omtrent de detentie-omstandigheden in het algemeen en voor de LGBTQI+-gemeenschap in het bijzonder, alsmede prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van het beoordelingskader voor schendingen van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentie-omstandigheden in Polen niet aan overlevering in de weg staan. Op basis van het rapport van the Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment van 22 februari 2024 (hierna: het CPT-rapport) heeft de rechtbank een algemeen reëel gevaar aangenomen voor onmenselijke of vernederende behandeling van voorlopig gedetineerden in Poolse detentie-instellingen. Verder zijn er onvoldoende objectieve, actuele en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat ook voor de gedetineerden die Poolse detentie-instellingen een opgelegde vrijheidsstraf ondergaan, een algemeen reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling bestaat.
Beoordeling
De rechtbank heeft kennis genomen van de zorgen die in het CPT-rapport van 22 februari 2024 worden geuit met betrekking tot de detentieomstandigheden van voorlopig gedetineerden, gedetineerden in vreemdelingenbewaring en op psychiatrische afdelingen. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de eerdere uitspraken naar aanleiding van dit rapport.
De rechtbank stelt vast dat het onderhavige overleveringsverzoek ziet op de tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf en dat op dit moment geen algemeen reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling is aangenomen voor gedetineerden die in Poolse detentie-instellingen de tenuitvoerlegging van opgelegde vrijheidsstraffen ondergaan. De raadsvrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Dat geldt zowel voor de situatie van afgestrafte gedetineerden in het algemeen als voor gedetineerden met een andere seksuele geaardheid in het bijzonder.
Gelet op de overweging van de rechtbank dat geen sprake is van een algemeen reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden (met welke seksuele geaardheid dan ook) gedurende de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in Polen, staat ook niet ter beoordeling of de opgeëiste persoon na overlevering mogelijk aan een schending van artikel 4 van het Handvest zal worden blootgesteld en ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding de behandeling van het EAB om die reden aan te houden en de Poolse autoriteiten hierover nader te bevragen, een getuige-deskundige te horen en/of prejudiciële vragen te stellen. De rechtbank wijst deze verzoeken van de raadsvrouw dan ook af.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 3.1 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
BEPAALT dat de zaak vanwege het verstrijken van de beslistermijn uiterlijk op 15 augustus 2024 opnieuw op zitting moet worden gepland.
BEVEELT oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijd, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw.
BEVEELT oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. E. Biҫer en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. I. van Heusden en S. van Gerven, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 juli 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).