Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-17
ECLI:NL:RBAMS:2024:4348
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,704 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 23/5513, 23/5514, 23/5515, 23/5516 en 23/5517
uitspraak van de enkelvoudige kamer op 17 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam, eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. De heffingsambtenaar heeft aan eiser in de periode van [datum 1] tot en met
[datum 5] 2023 vijf naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Met de uitspraken op bezwaar (de bestreden uitspraken) van 26 augustus 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de heffingsambtenaar. Eiser is niet verschenen.
Totstandkoming van de bestreden uitspraken
2. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslagen opgelegd, omdat eisers auto met kenteken [Kenteken] geparkeerd stond zonder dat de parkeerbelasting was voldaan op:
[datum 1] 2023 om 20.48 uur ter hoogte van [Adres 1]
[datum 2] 2023 om 11.02 uur ter hoogte van [Adres 2]
[datum 3] om 10.59 uur, [datum 4] om 12.55 uur en [datum 5] 2023 om 11.13 uur ter hoogte van [Adres 3] .
3. De heffingsambtenaar heeft de bezwaren ongegrond verklaard, omdat de parkeervergunning van eiser eindigde op [datum 1] 2023 en hij heeft geen parkeergeld betaald.
Beoordeling
Over welke naheffingen doet de rechtbank uitspraak?
4. Eiser heeft in beroep vijf aanslagen overgelegd, maar slechts drie uitspraken op bezwaar. De rechtbank verbindt hieraan - mede uit proceseconomische overwegingen - echter geen gevolgen nu uit de processtukken en de daarop ter zitting gegeven toelichting van de heffingsambtenaar voldoende duidelijk is geworden dat ook het bezwaar ter zake de resterende twee aanslagen om dezelfde reden ongegrond is verklaard door de heffingsambtenaar.
Zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd?
5. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
6. Eiser heeft vanwege zijn verhuizing gevraagd om zijn bestaande parkeervergunning over te zetten naar zijn nieuwe adres. Hij stelt dat hem vlak na zijn verhuizing telefonisch is gemeld dat hij snel zijn nieuwe vergunning zou krijgen en dat zijn parkeervergunning actief zou blijven totdat zijn nieuwe vergunning zou ingaan. Toen eiser lange tijd bleef steken op de tweede plek van de wachtlijst voor een nieuwe vergunning terwijl zijn oude vergunning zou aflopen op [datum 1] 2023, heeft hij meerdere keren tevergeefs geprobeerd telefonisch contact op te nemen met de gemeente. Eiser vindt het daarom onterecht dat de naheffingsaanslagen in stand worden gelaten.
7. Volgens de heffingsambtenaar zijn de naheffingsaanslagen terecht opgelegd. Eisers bewonersvergunning verliep op [datum 1] 2023. Hij vroeg op 1 juni 2023 een nieuwe bewonersvergunning aan en verzocht daarbij om een tijdelijke vergunning (overloopvergunning). Op 7 juli 2023 is eiser bericht dat hij geen overloopvergunning toegekend krijgt. Eiser werd op een wachtlijst geplaatst. Eiser wist dat zijn parkeervergunning zou verlopen op [datum 1] 2023 en kon daarom weten dat hij de parkeerkosten op een andere manier moest voldoen.
8. De Verordening Parkeerbelastingen 2023 van de gemeente Amsterdam (de Verordening) kent twee soorten parkeerbelasting: de a-belasting en de b-belasting. De
a-belasting wordt (in geld of met een parkeer app) betaald bij de aanvang van het parkeren. De b-belasting wordt betaald voor een parkeervergunning en bij het parkeren met een geldige parkeervergunning is geen a-belasting verschuldigd.
9. Tussen partijen is niet in geschil dat de oude parkeervergunning van eiser is geëindigd op [datum 1] 2023. Op het moment van de controles beschikte eiser voor de auto met het kenteken [Kenteken] dus niet meer over een geldige parkeervergunning. Ook heeft hij niet bij de aanvang van het parkeren op aangifte parkeerbelasting voldaan. De naheffingsaanslagen zijn daarom terecht opgelegd. Eiser vindt dat de gemeente hem niet goed heeft geïnformeerd en dat daarom de naheffingsaanslagen niet in stand kunnen blijven. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank wijst er daarbij op dat in de brief van 7 juli 2023 aan eiser is bericht dat hem geen overloopvergunning is toegekend en in zijn beroepschrift schrijft eiser zelf dat zijn oude vergunning zou aflopen op [datum 1] 2023.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslagen in stand blijven.
11. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep in alle zaken ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G. Elfferich, rechter, in aanwezigheid van J.J.M. Tol, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 1 van de Verordening.
Zie artikel 6, eerste lid, van de Verordening.
Zie artikel 6, tweede lid, van de Verordening.