Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-03
ECLI:NL:RBAMS:2024:4258
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,567 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/031552-24
Datum uitspraak: 3 juli 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 19 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 19 januari 2024 door the Court of Florence (Italië), hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres]
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 12 juni 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 juni 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S. Drent, advocaat in Diemen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens is de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak van 26 juni 2024
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 26 juni 2024 de grondslag van het EAB vastgesteld.
Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de dubbele strafbaarheid van de feiten niet hoeft te worden getoetst aangezien de feiten door de Italiaanse autoriteiten zijn aangemerkt als zogenoemde lijstfeiten. Het verweer van de raadsman dat de stukken van het EAB niet genoegzaam zijn is door de rechtbank verworpen.
Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er geen sprake is van een lopende vervolging in Nederland van dezelfde feiten als waarvoor de overlevering wordt verzocht. Tevens is geoordeeld dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW. Ten slotte volstaat de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte detentiegarantie om het vastgestelde algemene gevaar op schending van artikel 4 Handvest weg te nemen.
Overwegingen
Het onderzoek is met de tussenuitspraak heropend en voor bepaalde tijd geschorst om de ontvangst van de op 26 april 2024 door het Openbaar Ministerie bij de Italiaanse autoriteiten opgevraagde zogeheten terugkeergarantie af te wachten.
Zitting van 3 juli 2024
De behandeling van het EAB is met instemming van partijen voortgezet in de stand van de vorige zitting in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S. Drent, advocaat in Diemen.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt, met de officier van justitie en de raadsvrouw, vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
The Director General te Rome heeft op 11 juni 2024 de volgende garantie gegeven:
“The condition as per Article 5, paragraph 3 of EU Council Framework Decision no. 2002/584/JHA of 13th June 2002 is binding for the Italian judicial authority when it is applied by the Member State executing a European Arrest Warrant against its own nationals who have been surrendered to the Italian State.
So [opgeëiste persoon] may be returned to the Kingdom of Holland, when the conviction becomes irrevocable, to serve hir custodial sentence there.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Court of Florence (Italië), voor de feiten zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.T.C. de Vries, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 juli 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
ECLI:NL:RBAMS:2024:3827.