Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-12
ECLI:NL:RBAMS:2024:4240
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,584 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/338173-23
Datum uitspraak: 12 juni 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 5 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is op 15 november 2023 uitgevaardigd door het Šiauliai Regional Court (Litouwen), hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedag] 1995,
zonder vast woon-of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 mei 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Litouwse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Litouwse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een:
- een bevel van the Telšiai District Court Akmenè Courthouse van 11 oktober 2023 (No. T-372-1140/2023).
Dit betreft een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf die was opgelegd bij:
- het verzamelvonnis van de Telšiai District Court Akmenè Courthouse van 28 december 2022 (No.T-333-1140/2022), voor de duur van 1 jaar en 3 maanden.
De onderliggende vonnissen van het verzamelvonnis zijn:
- een vonnis van 18 augustus 2022 van Telšiai District Court Akmenè Courthouse (no. 1-151-1112/2022).
-een vonnis van Telšiai District Court Akmenè Courthouse van 14 december 2021 (No. 1-671-1112/2021).
- een vonnis van 14 september 2022 van Telšiai District Court (no. N1-305-1112/2022).
Uit de bij de brief met bijlagen van 15 mei 2024 van de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte d-formulieren blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de verschillende procedures die tot de vonnissen van 14 december 2021, 18 augustus 2022 en
14 september 2022 hebben geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 3 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis.
Het verzamelvonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB en de aanvullende informatie van 15 mei 2024.
4Genoegzaamheid van het EAB
Standpunt raadsman
Volgens de raadsman is het niet duidelijk hoe de straf is opgebouwd, ondanks de aanvullende informatie. De raadsman verzoekt op grond hiervan om de behandeling van de zaak aan te houden voor het opvragen van aanvullende informatie met betrekking tot de totstandkoming van de uiteindelijk uit te zitten straf
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt dat het inderdaad een puzzel is, maar dat wel duidelijk is hoeveel straf er open staat. De officier van justitie ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat het EAB gegevens bevat op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. In onderdeel C van het EAB ondubbelzinnig vermeld wat de duur van de in totaal opgelegde vrijheidsstraf is en hoeveel daarvan nog open staat. Daarbij is niet van belang hoe die straf is opgebouwd. De rechtbank ziet dan ook, anders dan de raadsman heeft gesteld, geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen en wijst het verzoek tot aanhouding af.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt raadsman
De opgeëiste persoon beweert dat hij niet aanwezig was bij de procedures die tot de onderliggende vonnissen én het verzamelvonnis hebben geleid.
Standpunt officier van justitie
Er is sprake van een verzamelvonnis met daaronder drie veroordelingen. Uit de aanvullende informatie van 15 mei 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon bij alle processen aanwezig is geweest die tot de onderliggende vonnissen hebben geleid. Ook voor wat betreft het verzamelvonnis van 18 augustus 2022 is voldaan aan artikel 12 OLW aangezien het vonnis aan de opgeëiste persoon is uitgereikt en hij is gewezen op de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. De beslissing van 11 oktober 2023 hoeft niet getoetst te worden aan artikel 12 OLW nu de tenuitvoerlegging is bevolen omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden.
Oordeel van de rechtbank
Het verzamelvonnis van 28 december 2022
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis van van het Telšiai District Court Akmenè Courthouse van 28 december 2022 (No.T-333-1140/2022) terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
Uit onderdeel d) bij de aanvullende informatie van 15 mei 2024, onder punt 3.1a, blijkt dat de opgeëiste persoon op 8 december 2022 in persoon is opgeroepen voor het proces dat tot dit vonnis heeft geleid en dat hij daarbij was geïnformeerd over de mogelijkheid dat er een beslissing bij verstek zou kunnen worden gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW zich voordoet, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW geen toepassing vindt.
Bevel tot herroeping en tenuitvoerlegging van 11 oktober 2023
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van the Telšiai District Court Akmenè Courthouse van 11 oktober 2023
(No. T-372-1140/2023) is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
In het EAB onder b) staat vermeld dat de voorwaardelijk opgelegde straf is omgezet in een onvoorwaardelijke straf omdat de opgeëiste persoon zich gedurende de proeftijd van 2 jaar niet heeft gehouden aan de voorwaarden in het kader van het aan hem opgelegde reclasseringstoezicht.
Dictum
11 oktober 2023 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
6Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal;
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Litouwen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Šiauliai Regional Court (Litouwen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
Mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB en de aanvullende informatie van 15 mei 2024.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.