Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-28
ECLI:NL:RBAMS:2024:4231
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,220 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/053087-24
Datum uitspraak: 28 mei 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 26 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 januari 2024 door the Regional Court in Piotrków Trybunalski (Polen), hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 9 april 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn.
De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de antwoorden van de Poolse autoriteiten af te wachten op de door het Openbaar Ministerie gestelde vragen in het kader van artikel 12 OLW.
Zitting 2 mei 2024
De behandeling van het EAB is hervat in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn.
De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om nogmaals de antwoorden van de Poolse autoriteiten af te wachten op de door het Openbaar Ministerie gestelde vragen in het kader van artikel 12 OLW.
Zitting 14 mei 2024
De behandeling van het EAB is hervat in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft wederom afstand gedaan van zijn recht om ter zitting aanwezig te zijn. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een cumulative judgement van het Radomsko District Court van 20 juni 2022 met referentie II K 221/22. Dit verzamelvonnis omvat een drietal onderliggende vonnissen.
Uit de aanvullende informatie van 25 maart 2024 en het EAB blijkt dat het de volgende vonnissen betreft:
the judgement of the Opoczno District Court van 7 december 2018 met referentie II K 429/16;
the judgement of the Radomsko District Court van 2 september 2020 met referentie II K 1257/19;
the judgement of the Ostrowiec Świętokrzyski District Court van 8 juni 2020 met referentie II K 63/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 11 maanden en 23 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd nu de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is ten aanzien van het verzamelvonnis en de onderliggende vonnissen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat ook hij van mening is dat de overlevering moet worden geweigerd. Het openbaar ministerie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij herhaling verzocht om nadere informatie over de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon, zowel voor wat betreft de totstandkoming van het verzamelvonnis, als wat betreft de onderliggende vonnissen. Deze informatie is niet gekomen. Met de informatie die wel gegeven is, kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad.
Standpunt van de rechtbank
Verzamelvonnis II K 221/22
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verzamelvonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting en de uitspraak. Er is een kruisje gezet onder 3.2, maar uit de toelichting blijkt dat hij niet in persoon de dagvaarding heeft ontvangen, maar dat hij per post tot tweemaal toe op zijn adres is opgeroepen en die oproepingen niet heeft opgehaald. Dit maakt echter niet dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder a OLW van toepassing is.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet - met de raadsman en de officier van justitie - geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij vindt daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB, in samenhang bezien met de aanvullende informatie van 25 maart 2024, blijkt niet dat de opgeëiste persoon op enigerlei wijze op de hoogte was van de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid. Uit de aanvullende informatie blijkt immers dat het verzamelvonnis niet op het verzoek van de opgeëiste persoon, maar ambtshalve is gewezen (“the proceedings were instigated at the Court’s own initiative”). De opgeëiste persoon is opgeroepen op het laatste adres dat bij de rechtbank bekend was en dat hij na vrijlating uit detentie had opgegeven. Hoewel daarover vragen zijn gesteld, is niet duidelijk geworden of eerder verstrekte adresinstructies (in onderliggende procedures) ook van toepassing waren op de procedure die op het verzamelvonnis zag en – zo ja – of dit voor de opgeëiste persoon duidelijk was.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Piotrków Trybunalski (Polen).
STELT VAST dat de overleveringsdetentie is geëindigd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. J.G. Vegter en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 mei 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.