Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-09
ECLI:NL:RBAMS:2024:4136
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,965 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/116192-24
Datum uitspraak: 9 juli 2024
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Deze vordering dateert van 26 april 2024 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 3 november 2022 door de advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen (België) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 juni 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M. Timorason, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het Hof van Beroep Antwerpen d.d. 30 oktober 2019 – C4 kamer, referentie: 2019/pga/1682 (griffienummer 1148/19).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 30 maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 747 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon niet is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Evenmin blijkt dat hij is vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde advocaat. In het EAB wordt wel vermeld dat de beslissing aan hem in persoon is betekend op 16 maart 2022 en dat hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op verzet, maar dat hij niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW dient te worden geweigerd. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon in België in vrijheid is gesteld, waarbij hij zijn toenmalige adres [adres 2] heeft opgegeven. Op hem rustte geen verplichting een eventuele adreswijziging door te geven. Uit de stukken volgt dat de uitspraak aan de opgeëiste persoon in persoon zou zijn uitgereikt op het adres [adres 3] , maar dit kan niet juist zijn, omdat het hier een postadres van de daklozenopvang in [plaats 2] betreft, terwijl de opgeëiste persoon, die op 16 maart 2022, de datum van betekening van het arrest, net vrij was, bij zijn ouders in [plaats 1] verbleef. De raadsvrouw concludeert dat de opgeëiste persoon geen afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrecht. Hij wist niet dat er een zitting zou plaatsvinden.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft, gelet op het adres waarop de betekening zou hebben plaatsgevonden, eveneens geconcludeerd dat niet kan worden aangenomen staan dat de opgeëiste persoon tijdig op de hoogte was van het arrest en de mogelijkheid voor het instellen van beroep.
Beoordeling
In het dossier bevindt zich een akte van uitreiking, waarin staat dat de uitreiking in persoon heeft plaatsgevonden op de [adres 3] . Het is de rechtbank - evenals de raadsvrouw en de officier van justitie - ambtshalve bekend dat dit een postadres betreft ten behoeve van daklozen in [plaats 2], die hier eens in de zoveel tijd hun post kunnen komen ophalen. De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de kans op een uitreiking van een gerechtelijk stuk in persoon op dit adres te verwaarlozen is. Daar komt bij dat de handtekening voor ontvangst van de opgeëiste persoon op de akte ontbreekt.
De rechtbank gaat er daarom van uit, dat de mededeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit, dat de beslissing in persoon aan hem is betekend, op een misverstand berust en dat geconcludeerd moet worden, dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Ook is tot op heden geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
In het kader van een goede dialoog tussen justitiële autoriteiten, en gelet op de omstandigheid dat de beslistermijn in deze zaak nog niet is verstreken, ziet de rechtbank in het voorgaande aanleiding het onderzoek te heropenen, zodat de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden gewezen op voornoemd misverstand en kan bezien of alsnog een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW kan worden verstrekt.
Dictum
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen alsnog een verzetsgarantie te verstrekken.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juli 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.