Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-09
ECLI:NL:RBAMS:2024:4133
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,379 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/054724-24
Datum uitspraak: 9 juli 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 26 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 januari 2024 door the District Court of Zamość, second penal division (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 juni 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat te Alkmaar en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een sentence of the regional court of Krasnystaw of 31 January 2023.
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 11 maanden en 11 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Genoegzaamheid
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak vermeldt het EAB onder e) niet de pleegplaats en -datum van feit 1. Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit d.d. 9 mei 2024 blijkt dat dit feit, evenals feit 2 is gepleegd op 22 augustus 2021 te Krasnystaw. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het EAB met deze aanvullende informatie genoegzaam is.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
feit 1 en feit 2: telkens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6Artikel 11 OLW: artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, dan wel de feitelijke overlevering uit te stellen vanwege humanitaire redenen. De opgeëiste persoon is geopereerd, waarbij een kwaadaardige tumor uit zijn been is verwijderd. Hij ondergaat nu een nabehandelingstraject. De behandelend specialist heeft in een door de raadsman aan de rechtbank overgelegde brief verklaard dat intensieve fysiotherapie en regelmatige controle is vereist. Indien dit niet wordt uitgevoerd bestaat het risico op levenslang functieverlies, hetgeen ook het gevaar is bij inadequate begeleiding. Complicaties, zoals een infectie, kunnen bij niet tijdige onderkenning ervan of in een behandelcentrum dat niet bekend is met de prothese leiden tot amputatie. De raadsman heeft erop gewezen dat de opgeëiste persoon er dus groot belang bij heeft zijn behandeling hier voort te zetten. Op voorhand kan niet worden aangenomen dat hij in Polen over de noodzakelijke medische zorg kan beschikken. Overlevering zou pas over 3 jaar kunnen plaatsvinden, aldus de raadsman, die concludeert dat door de overlevering een reëel gevaar bestaat dat het door het in artikel 35 van Handvest van de grondrechten van de EU gewaarborgde recht op bescherming van zijn gezondheid zal worden geschonden. Subsidiair heeft de raadsman in dit verband een beroep gedaan op artikel 35 OLW.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft erop gewezen dat dat er geen algemeen risico is op schending van mensenrechten in verband met de medische zorg in Polen. Zij heeft aangevoerd thans geen inzicht te hebben in de ernst van de aangevoerde humanitaire redenen, maar dat deze ook in het kader van de feitelijke overlevering een rol kunnen spelen. De officier van justitie heeft er verder op gewezen dat, wanneer de opgeëiste persoon daar toestemming toe verleent, medische informatie kan worden gedeeld met de Poolse autoriteiten
Beoordeling
De rechtbank heeft tot op heden geen algemeen risico aangenomen dat in Polen gedetineerden personen die een medisch nabehandelingstraject, intensieve fysiotherapie en controle behoeven een reëel gevaar lopen van schending van door het Handvest gewaarborgde rechten. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geeft geen reden voor een ander oordeel. De medische omstandigheden kunnen een rol spelen in het kader van opschorting van de feitelijke overlevering, een bevoegdheid die thans de officier van justitie toekomt. Deze heeft ingevolge artikel 35, derde lid, OLW de verplichting acht te slaan op de medische toestand van de opgeëiste persoon.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 141 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 11 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Zamość, second penal division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juli 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).