Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-07-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:4122
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,149 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/1122
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit Amsterdam , eiser
en
het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder
hierna: het college
(gemachtigde: mr. D.R de Vries).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het college van 15 januari 2023 (het bestreden besluit) waarbij zijn ingebrekestelling niet-ontvankelijk is verklaard.
1.2.
Eiser heeft tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van 17 maart 2022 bezwaar gemaakt en verzocht om het dossier in die zaak. Het college heeft bij besluit van25 mei 2022 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft bij brief van 30 mei 2022 volhard in zijn verzoek om het dossier. Op 18 juli 2022 heeft eiser het college in gebreke gesteld. Met het primaire besluit van 24 augustus 2022 heeft het college de ingebrekestelling niet-ontvankelijk verklaard en de dwangsom afgewezen. Op 16 september 2022 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 15 januari 2023 op het bezwaar van eiser heeft het college geoordeeld dat de ingebrekestelling terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser. Namens het college is niemand verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het college de ingebrekestelling van eiser van
18 juli 2022 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.1.
Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat de ingebrekestelling van eiser van 18 juli 2022 niet-ontvankelijk is verklaard omdat er sprake is van misbruik van recht. Eiser heeft zijn verzoek om inzage in het dossier op grond van de AVG namelijk gedaan met geen ander doel dan de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan te vechten.
3.2.
Eiser is van mening dat er geen sprake is van misbruik van recht. Hij heeft onterecht zijn bezwaar niet kunnen aanvullen omdat er door het college geen inzage werd gegeven in het dossier. Daarbij is eiser van mening dat de inzage van het dossier tot een andere beschikking van het bestuursorgaan zou leiden.
3.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) volgt dat misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Verder volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat er sprake is van misbruik van recht als een verzoek redelijkerwijs slechts kan zijn gelegen in het aanvechten van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Op grond van deze rechtspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het verzoek om inzage in het dossier misbruik van recht oplevert. Eiser heeft dit verzoek immers met geen ander doel gedaan dan de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan te vechten. De ingebrekestelling is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid vanmr.W.L. van der Pijl, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4185.