Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-29
ECLI:NL:RBAMS:2024:4078
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
4,103 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-065964-24
Datum uitspraak: 29 mei 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 15 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2023 door the District Court in Krakow, Third Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in P.I. [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.M. Timorason, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt:
I een vonnis van the Regional Court in Chrzanów Second Criminal Division van 15 juni 2015 (II K 324/15);
II een vonnis van the Regional Court in Chrzanów Second Criminal Division van 1 oktober 2015 (II K 582/15);
III een vonnis van the Regional Court in Chrzanów Second Criminal Division van 9 juli 2015 (II K 456/15).
Hierbij zijn de volgende straffen opgelegd:
vonnis I: een aggregate sentence van 2 jaar gevangenisstraf; daarvan resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 11 maanden en 28 dagen.
vonnis II: een aggregate sentence van 1 jaar en 6 maanden gevangenisstraf; daarvan resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 5 maanden en 28 dagen.
vonnis III: een aggregate sentence van 1 jaar en 6 maanden gevangenisstraf; de volledige straf staat nog open.
Dit vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
3.1.1
Aggregate sentences
Standpunt van de verdediging
Nu het EAB spreekt over aggregate sentences lijkt sprake te zijn van samenvoegingsbeslissingen wat zou impliceren dat er meerdere onderliggende vonnissen zijn die hieraan ten grondslag liggen. Als deze constatering door de rechtbank zou worden gevolgd, is het dossier nog altijd niet compleet. Omdat al meermaals om nadere informatie is verzocht, dient beslist te worden op basis van de informatie die nu beschikbaar is. Dat betekent dat de overlevering moet worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
Dit ziet op een vertaalkwestie. In het Poolse EAB is sprake van “kara łączna” dat vertaald moet worden als verzamelstraf. Dit houdt in dat voor meerdere feiten één straf is opgelegd; van onderliggende vonnissen is dus geen sprake.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar zienswijze en is met de officier van justitie van oordeel dat uit het dossier en de uitgebreide aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden afgeleid dat geen sprake is van verzamelvonnissen maar van drie verzamelstraffen.
3.1.2
Vonnis I (II K 324/15), vonnis II (II K 582/15) en vonnis III (II K 456/15)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van drie vonnissen terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de processen die tot die beslissingen hebben geleid, en die – kort gezegd – zijn gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat van weigering kan worden afgezien nu de opgeëiste persoon in alle processen wist van de verdenkingen en van het feit dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd en hij in alle procedures een adresinstructie heeft gekregen waarvoor hij heeft getekend waarna hij is opgeroepen op dat adres. Onder deze omstandigheden leidt overlevering niet tot schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.
3.1.3 ‘
Triggerende’ veroordeling II K 202/17
De bovengenoemde vrijheidsstraffen zijn aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Als gevolg van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit door the District Court in Krakow (VI K 202/17) is de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraffen bevolen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. De beslissing tot tenuitvoerlegging van de straffen zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissingen vallen daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
Ten aanzien van de ‘triggerende’ veroordeling met kenmerk II K 202/17 heeft de raadsvrouw betoogd dat uit het dossier volgt dat de opgeëiste persoon niet bij alle zittingen aanwezig is geweest omdat hij bij de sentencing hearing van 14 maart 2018 niet aanwezig was, net als zijn advocaat. Onduidelijk is of de opgeëiste persoon op een juiste wijze op de hoogte is gebracht van deze zitting zodat niet getoetst kan worden of hij afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
De rechtbank overweegt dat uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 4 april 2024 volgt dat in deze procedure 4 zittingen hebben plaatsgevonden en dat de opgeëiste persoon (met zijn advocaat) in persoon aanwezig was op de eerste drie zittingen, te weten op 24 januari, 8 februari en 6 maart 2018. Voor de sentencing hearing van 14 maart 2018 zijn de opgeëiste persoon en zijn advocaat volgens de aanvullende informatie naar behoren op de hoogte gesteld. Voor zover deze sentencing hearing niet slechts de uitspraakzitting is geweest maar op deze zitting de zaak deels nog inhoudelijk is behandeld, overweegt de rechtbank als volgt. De opgeëiste persoon wist van de strafrechtelijke procedure en is op 3 van de 4 zittingen aanwezig geweest met zijn advocaat. Voor zover de datum van de zitting van 14 maart 2018 niet is meegedeeld op de zitting een week eerder op 8 maart 2018 of voor zover de oproep voor de zitting van 14 maart 2018 hem niet zou hebben bereikt, overweegt de rechtbank dat het onder deze omstandigheden op de weg van de opgeëiste persoon lag om zich – al dan niet via zijn advocaat – op de hoogte te houden van het verdere verloop van de procedure.
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten van vonnis I (II K 324/15) aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
telkens: diefstal
de meerdaadse samenloop van:
opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang
en
valsheid in geschrift
de meerdaadse samenloop van:
belaging
en
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
opzetheling.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is met de raadsvrouw en de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de (in een eerdere overleveringsprocedure) overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 17 april 2024 volgt dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen. Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kunnen worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen.
Uit de hiervoor onder 4.2 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.
De onder 4.1. bedoelde feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
diefstal door twee of meer verenigde personen
en
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen
Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.
De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische banden met Nederland heeft, zodat sprake is van een rechtmatig belang dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland rechtvaardigt.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 310, 311, 225, 231, 285b, 416 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Krakow, Third Criminal Division, Polen.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. H.J. Bos en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 mei 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.
Rechtbank Amsterdam 7 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7992.