Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-01-25
ECLI:NL:RBAMS:2024:387
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,329 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.293283-23 (EAB I)
Datum uitspraak: 25 januari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 9 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 september 2021 door the Regional Court in Piotrków Trybunalski (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres opgeëiste persoon] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 januari 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Piotrków Trybunalski van 22 januari 2019, referentie: II K 604/18 (onherroepelijk geworden op 20 februari 2019).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden, waarvan de gehele straf nog moet worden uitgezeten, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Blijkens het EAB, aangevuld met aanvullende informatie van 9 januari 2024, was de vrijheidsstraf van zes maanden aanvankelijk voorwaardelijk opgelegd, maar is bij vonnis van 4 september 2019 (II Ko 1262/19) de tenuitvoerlegging bevolen, omdat de opgeëiste persoon zich had onttrokken aan het aan hem opgelegd toezicht en Polen had verlaten zonder toestemming van de rechtbank.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is naar Oostenrijk gegaan en is daar gedetineerd geraakt. Dat is de reden dat hij niet kon reageren op oproepen in het kader van deze procedure, aldus de raadsvrouw.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden toegestaan. Uit de aanvullende informatie van 9 januari 2024 dat de opgeëiste persoon met betrekking tot de procedure die tot het vonnis van 22 januari 2019 heeft geleid, een adresinstructie heeft gekregen en dat hij deze niet heeft opgevolgd. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om, gelet hierop, af te zien van de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De tenuitvoerleggingsbeslissing van 4 september 2019 is geen beslissing die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, aldus de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
Vonnis van 22 januari 2019 (II K 604/18)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, nu uit de aanvullende informatie van 9 januari 2024 het volgende blijkt.
De opgeëiste persoon heeft in de loop van het strafrechtelijk onderzoek zijn adres opgegeven aan de Poolse autoriteiten. Daarbij heeft de opgeëiste persoon op 4 mei 2018 een adresinstructie ontvangen, waarbij hij onder meer is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen indien hij dit niet zou doen. De oproep voor de zitting is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd.
Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Gelet op die omstandigheden staat namelijk vast dat hij er van op de hoogte was dat er een strafproces tegen hem liep en dat, zo al niet kan worden gezegd dat hij uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Hij had, ook in het geval hij ten tijde van belang inderdaad gedetineerd zat in het buitenland, moeten doorgegeven waar hij bereikt zou kunnen worden. Dat hij heeft nagelaten dit te doen, komt voor zijn rekening en risico. Artikel 12 OLW staat dus niet aan overlevering in de weg.
Het vonnis van 4 september 2019 (II Ko 1262/19)
Zoals uit het voorgaande blijkt (zie onder 3.), is bij het vonnis van 22 januari 2019 (II K 604/18) de vrijheidsstraf in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd en is bij vonnis van 4 september 2019 van the District Court in Piotrków (II Ko 1262/19) de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen, omdat de opgeëiste persoon zich aan het hem opgelegde toezicht had onttrokken. Die beslissing tot tenuitvoerlegging is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling van the District Court in Piotrków Trybunalski van 22 januari 2019 waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd. De stelling van de raadsvrouw dat de opgeëiste persoon ten tijde van de tenuitvoerleggingsbeslissing in Oostenrijk in detentie zou hebben gezeten en daarom de reden voor het onttrekken aan het toezicht niet heeft kunnen toelichten, kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering op grond van artikel 12 OLW. Het verweer wordt verworpen.
4Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Piotrków (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. E. Biçer en A.K. Glerum, rechters,
in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 januari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).