Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-25
ECLI:NL:RBAMS:2024:3843
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,834 tokens
Inleiding
RECHTBANK
AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10910850 \ CV EXPL 24-1176
Vonnis van 25 juni 2024
in de zaak van
[eisende partij]
,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: [naam 3] ,
tegen
[gedaagde partij]
,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 januari 2024 met producties; - het proces-verbaal van het mondeling antwoord van [gedaagde partij] ; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek met bijlagen;
- de akte uitlating bijlagen van [eisende partij] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:
2.2.
Op 3 april 2023 hebben partijen via Whatsapp een overeenkomst tot geldlening gesloten. Partijen hebben hiervoor de volgende overeenkomst, die door [gedaagde partij] via zijn telefoon is ondertekend, gesloten:
“Hierbij een overeenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] . Dat [gedaagde partij] een lening van 5000 euro afsluit en terug betaald moet zijn voor 1 augustus 2023 opgemaakt Amstelveen 3 april 2023”
2.3.
[eisende partij] heeft op enig moment (naar de kantonrechter aanneemt: vóór 3 april 2023) zijn scooter in consignatie laten verkopen door [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft de scooter verkocht voor € 5.500,-. De koper van de scooter had een lening uitstaan aan [gedaagde partij] van hetzelfde bedrag. [eisende partij] en [gedaagde partij] zijn vervolgens overeengekomen dat [eisende partij] deze lening overnam en dat de extra € 500,- als rente zou dienen.
2.4.
Op 1 augustus 2023 heeft [gedaagde partij] verzocht of hij twee weken uitstel mocht voor de terugbetaling van de lening. [eisende partij] is hier mee akkoord gegaan.
2.5.
Op enig moment heeft [eisende partij] aan [gedaagde partij] via Whatsapp aangegeven dat [gedaagde partij] bij een vriend van hem, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), werkzaamheden kon doen, om daarmee zijn schuld af te lossen. [eisende partij] stuurde het volgende bericht:
“Heb klusjesman nodig voor van allerlei aanhelingen, tegeltje, vloeren, sloop evt keuken plaatsen..
[naam 2] belt je, mag je evt verreken met mijn bonnetje”
2.6.
[naam 1] heeft een bedrag van € 2.500,- uit hoofde van de kluswerkzaamheden van [gedaagde partij] overgemaakt aan [eisende partij] .
2.7.
Op 2 oktober 2023 heeft de gemachtigde van [eisende partij] [gedaagde partij] in gebreke gesteld en gesommeerd om € 3.000,- aan openstaande geldlening terug te betalen, vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten en rente.
Geschil
3.1.
[eisende partij] vordert dat [gedaagde partij] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
€ 3.000,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2023 tot de dag der algehele voldoening;
€ 514,25 aan buitengerechtelijke kosten;
de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen, waarvan een bedrag van € 3.000,- nog open staat. Nu [gedaagde partij] zijn verplichting uit de geldleningsovereenkomst niet nakomt, is er sprake van wanprestatie.
3.3.
[gedaagde partij] erkent de vordering deels tot een bedrag van € 1.250,-. Voor het overige voert [gedaagde partij] verweer tegen de vordering. [gedaagde partij] legt – kort gezegd – aan zijn verweer ten grondslag dat hij de vordering van [eisende partij] kan verrekenen met de vordering ter zake van kluswerkzaamheden die hij bij [naam 1] heeft uitgevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Tussen partijen staat vast dat zij een geldleningsovereenkomst hebben gesloten waarbij [eisende partij] een bedrag van € 5.000,- (te verhogen met € 500,00 aan rente) aan [gedaagde partij] heeft uitgeleend, waarvan nog een bedrag van € 3.000,- open staat. [gedaagde partij] erkent de vordering deels tot een bedrag van € 1.250,-. Dit deel van de vordering zal derhalve reeds worden toegewezen. Partijen hebben echter discussie over de vraag of het resterende bedrag aan hoofdsom nog moet worden terugbetaald.
Verrekening
4.2.
[gedaagde partij] stelt dat afgesproken was dat hij zijn schuld bij [eisende partij] mag verrekenen met de kluswerkzaamheden die hij bij [naam 1] heeft uitgevoerd. [eisende partij] heeft niks meer te vorderen, omdat de gemaakte kosten van [gedaagde partij] nog veel hoger zijn dan het bedrag wat hij nu vordert. [eisende partij] erkent bij repliek dat deze afspraak is gemaakt, maar stelt dat [gedaagde partij] deze kluswerkzaamheden niet heeft uitgevoerd, althans niet voor hem, zodat [gedaagde partij] niet kan verrekenen. Het feit dat de [gedaagde partij] een geschil met [naam 1] heeft omtrent de betalingen voor de kluswerkzaamheden, gaat buiten [eisende partij] om, aldus [eisende partij] .
4.3.
De kantonrechter overweegt dat het in beginsel mogelijk is dat partijen overeenkomen dat de schuldenaar bevoegd is zijn schuld aan de schuldeiser te verrekenen met een vordering die hij op een derde heeft. Dat is in dit geval ook zo afgesproken tussen partijen. De kantonrechter stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] zijn schuld bij [eisende partij] mocht verrekenen met kluswerkzaamheden voor [naam 1] . Bij repliek betwist [eisende partij] deze afspraak namelijk niet en dit volgt ook uit het in rechtsoverweging 2.5 geciteerde Whatsappbericht van [eisende partij] .
4.4.
De kantonrechter overweegt dat het op grond van artikel 6:136 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) mogelijk is om een vordering, ondanks een beroep op verrekening, toe te wijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Dat is hier het geval. Uit de door [gedaagde partij] zelf overgelegde Whatsappgesprekken blijkt dat er discussie is tussen hem en [naam 1] over de uitgevoerde kluswerkzaamheden en betalingen. De vraag of [gedaagde partij] nog kluswerkzaamheden kan verrekenen en zo ja, tot welk bedrag, hangt af van het geschil tussen [gedaagde partij] en [naam 1] . De uitkomst daarvan kan niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld in deze procedure. [gedaagde partij] heeft onvoldoende gesteld om te kunnen vaststellen wat voor vordering hij op [naam 1] heeft die hij vervolgens kan verrekenen met [eisende partij] . Gelet op voorgaande passeert de kantonrechter het beroep op verrekening.
4.5.
De kantonrechter merkt ten overvloede op dat als [gedaagde partij] van mening is dat hij een vordering heeft op [naam 1] , hij daarvoor een aparte procedure kan beginnen tegen [naam 1] .
Wettelijke rente
4.6.
De kantonrechter wijst de wettelijke rente toe op grond van artikel 6:119 BW vanaf 1 augustus 2023, omdat [gedaagde partij] daartegen geen nader verweer heeft gevoerd. Voor zover [eisende partij] de wettelijke handelsrente op grond van artikel 6:119a BW vordert, wijst de kantonrechter dat af. Eisende partij heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat tussen partijen een handelsovereenkomst is gesloten.
Buitengerechtelijke kosten
4.7.
[eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 514,25 toegewezen.
Proceskosten
4.8.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,38
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
595,00
(2,50 punten × € 238,00)
- nakosten
€
68,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.048,38
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan [eisende partij] van:
€ 3.000,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2023 tot de dag der algehele voldoening;
€ 514,25 (incl. btw) aan buitengerechtelijke kosten;
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.048,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra op 25 juni 2024.