Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-31
ECLI:NL:RBAMS:2024:3667
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,655 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5575
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.
Procesverloop
Met het besluit van 15 augustus 2023 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
Met de uitspraak op bezwaar van 6 september 2023 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2024. Eiser is verschenen. Namens de heffingsambtenaar is verschenen [heffingsambtenaar] .
Overwegingen
1. Op 10 augustus 2023 stond het voertuig van eiser met kenteken [kentekennummer] stil in een parkeervak ter hoogte van [adres] [huisnummer] te Amsterdam. Om 04:51 uur heeft een parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
2. Eiser stelt dat hij altijd tussen 00.00 en 09.00 uur gratis kon parkeren op deze locatie. Volgens eiser heeft de gemeente zonder aankondiging het betaald parkeren in het centrum van Amsterdam uitgebreid. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar heeft nagelaten om de omwonenden hierover te informeren. Bovendien ontbreekt deze informatie bij het aanmelden van een kenteken op de aanmeldpagina van de bezoekersvergunning voor ouderen.
3. De heffingsambtenaar stelt dat de uitbreiding van betaald parkeren in het centrum van Amsterdam via de officiële weg bekend is gemaakt. Hij verwijst daarbij naar het Uitvoerings- en aanwijzingsbesluit parkeerbelasting Amsterdam juli 2023 (hierna: het Besluit). Daarnaast is de uitbreiding van het betaald parkeren ook algemeen bekend gemaakt via verschillende nieuwskanalen, posters en huis-aan-huis krantenadvertenties. Ook stonden er 64 borden op verschillende toegangswegen naar het centrum met informatie over de uitbreiding van betaald parkeren en zijn er brieven gestuurd aan vergunninghouders. Daarom meent de heffingsambtenaar dat de uitbreiding van betaald parkeren voldoende kenbaar is gemaakt.
4. De rechtbank overweegt dat gemeenten vrij zijn om hun parkeerbeleid te wijzigen. Iemand die regelmatig parkeert op een voor hem bekende plek moet er rekening mee houden dat de regels kunnen wijzigen. De verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd parkeren van een voertuig, moet wel zodanig kenbaar zijn gemaakt dat redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan over de verschuldigdheid daarvan (de informatieplicht/het kenbaarheidsvereiste). Daar staat tegenover dat een parkeerder een onderzoeksplicht heeft in die zin dat hij zich, voordat hij parkeert, op de hoogte moet stellen van de verschuldigdheid van parkeerbelasting ter plaatse. Het zich niet voldoende op de hoogte stellen en het (als gevolg daarvan) niet naleven van die voorschriften komt volgens vaste rechtspraak voor rekening en risico van de parkeerder.
5. Vaststaat dat vanaf 3 juli 2023 het betaald parkeren-gebied 'centrum' is uitgebreid, waardoor vanaf dat moment 24 uur per dag betaald parkeren geldt. In dit gebied is de [adres] gelegen.
6. De rechtbank overweegt dat het Besluit via de officiële weg bekend is gemaakt en tijdig is gepubliceerd. Bovendien is er veel aandacht geweest voor de uitbreiding van het betaald parkeren op verschillende nieuwskanalen. Daarbij zijn er door de gemeente 64 borden geplaatst langs de toegangswegen naar het centrumgebied. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij die borden wel heeft gezien, maar dat hij uit de vermelding “24/7” niet had opgemaakt dat voortaan ook ’s nachts betaald parkeren geldt. Verder stelt hij dat hij geen brief van de gemeente heeft ontvangen over de uitbreiding van het parkeerregime. Hoewel de gemeente niet heeft aangetoond dat er brieven zijn gestuurd naar vergunninghouders, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Voor zover de tekst op de door de gemeente geplaatste borden onvoldoende duidelijk was voor eiser, had het op zijn weg gelegen om nader onderzoek te doen. Dat eiser beschikt over een bezoekersregeling voor oudere mensen, maakt niet dat hij zich niet op de hoogte hoeft te stellen van de regels zoals die gelden op het moment van parkeren.
7. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat op de aanmeldpagina van de bezoekersvergunning niet expliciet staat aangegeven dat onder het nieuwe parkeerregime ’s nachts ook betaald moet worden. De rechtbank overweegt dat op deze pagina inderdaad niet direct zichtbaar is tijdens welke uren moet worden betaald. Als eiser evenwel de juiste feitelijke eindtijd van zijn parkeersessie had ingevuld (in plaats van 00.00 uur, vanuit de aanname dat hij over de nachtelijke uren niet zou hoeven betalen), dan was wel het juiste tarief verschenen. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan.
8. Gelet op al het voorgaande, concludeert de rechtbank dat verweerder aan zijn informatieplicht heeft voldaan. De rechtbank begrijpt wel dat een wijziging in het betaald-parkerenregime aan iemand die jarenlang ter plaatse heeft geparkeerd voorbij kan gaan, maar dat ligt onder deze omstandigheden in de risicosfeer van eiser en niet in die van verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag terecht opgelegd.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2024.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Gerechtshof Den Haag 18 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:506.