Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-30
ECLI:NL:RBAMS:2024:3662
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,277 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2493
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , te Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. I. Rhodes),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres per 23 maart 2021 gewijzigd vastgesteld op 43,98%.
Bij besluit van 21 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2024. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiseres heeft voor het laatst gewerkt als medewerker [functie] bij de [werkgever] voor 39,82 uur per week. Zij is op 27 april 2017 uitgevallen voor dit werk wegens gezondheidsklachten. Na een wachttijd van 104 weken en een verlengde loondoorbetalingsverplichting van de werkgever vraagt eiseres een uitkering op grond van de Wet WIA aan. Verweerder heeft aan eiseres per 23 april 2020 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, omdat eiseres 38,53% arbeidsongeschikt is geacht. Op 29 maart 2021 heeft eiseres een melding van toegenomen klachten gedaan. In dat kader heeft op 16 maart 2022 een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden.
2. Met het primaire besluit heeft verweerder eiseres per 23 maart 2021 voor 43,98% arbeidsongeschikt geacht. Verweerder heeft aan dit besluit de rapportage van de verzekeringsarts van 8 oktober 2021 en de rapportage van de arbeidsdeskundige van
18 oktober 2021 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiseres neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 oktober 2021. Verweerder heeft aangegeven dat de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering niet wijzigt tot en met 22 april 2022 en dat tegen die tijd wordt gekeken of eiseres een loonaanvullingsuitkering of vervolguitkering zal krijgen op grond van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan dit besluit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 april 2022 en de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 april 2022 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het bezwaar de FML gewijzigd en een aantal beperkingen toegevoegd en toelichtingen gegeven in de FML van 6 april 2022. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep stelt echter vast dat de geselecteerde functies onverminderd geschikt blijven voor eiseres. Eiseres wordt daarom per 23 maart 2021 ongewijzigd voor 43,98% arbeidsongeschikt geacht.
Standpunt van eiseres
4. Eiseres meent dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij meer beperkt is dan door verweerder is aangenomen, bijvoorbeeld met betrekking tot haar vermoeidheidsproblemen. Daarbij is volgens eiseres door de verzekeringsarts bezwaar en beroep miskend dat haar ziekte een zeer grillig verloop kent. Bovendien kan zij door haar darmproblemen geen van de geduide functies verrichten.
Beoordeling
5. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder eiseres op goede gronden per 23 maart 2021 voor 43,98% arbeidsongeschikt heeft geacht.
6. Om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen dient eerst te worden vastgesteld welke medische beperkingen eiseres heeft en vervolgens wat de invloed van deze beperkingen is op haar verdienvermogen. Volgens vaste rechtspraak mag verweerder zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.
Ten aanzien van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek
7. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres onderzocht op een spreekuur. Naar aanleiding van de door eiseres ingediende bezwaren heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het primaire medische oordeel getoetst aan de hand van dossierstudie, informatie verkregen vanuit de hoorzitting en het spreekuurcontact. De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de naar voren gebrachte klachten op een zorgvuldige en duidelijke manier heeft betrokken bij de medische beoordeling. Dat geldt ook voor de in het dossier aanwezige informatie van de behandelaren. Naar het oordeel van de rechtbank zijn alle medische gegevens op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling en is het onderzoek zorgvuldig geweest.
8. Voor zover eiseres meent dat haar medische beperkingen zijn onderschat, omdat de vermoeidheidsklachten en darmproblematiek onvoldoende zijn meegenomen in de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank merkt op dat eiseres haar stelling niet heeft onderbouwd met medische stukken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van de vermoeidheidsklachten van eiseres bij rubriek 6 ‘werktijden’ de arbeidsduur begrensd op
8 uur per dag en 40 uur per week en heeft nachtdiensten ongewenst geacht. Daarbij stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er rekening wordt gehouden met de vermoeidheidsklachten van eiseres door de fysieke belasting in werk te verminderen. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep als diagnose gesteld: ‘Gluten-en lactose-intolerantie DD prikkelbare darmsyndroom’. De vermoeidheidsklachten en darmproblematiek van eiseres zijn dus meegenomen in de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiseres heeft niet kunnen aantonen dat hiermee onvoldoende rekening is gehouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Ten aanzien van het arbeidsdeskundig onderzoek
9. De rechtbank stelt vast dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 11 april 2022 eiseres gelet op haar beperkingen geschikt heeft geacht voor de functies van ‘administratief medewerker notaris, advocaat, rechtbank’, ‘receptionist’ en ‘samensteller kunststof en rubberproducten’. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functies ‘administratief medewerker, correspondent’ en ‘commercieel-administratief medewerker’ als overige functies geselecteerd.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de inzichtelijke arbeidsdeskundige onderbouwing bij de selectie van de functies aan de hand van alle beschikbare medische informatie, voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies de vastgestelde medische belastbaarheid van eiseres niet overschrijdt. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen, heeft de arbeidsdeskundige voldoende onderbouwd waarom de geduide functies geschikt zijn voor eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de geduide functies daarom voor eiseres geschikt.
Conclusie
11. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. Dit betekent dat verweerder eiseres op goede gronden per 23 maart 2021 voor 43,98% arbeidsongeschikt heeft geacht.
12. Het beroep van eiseres is ongegrond. Dit betekent dat zij geen gelijk krijgt. Omdat eiseres in beroep geen gelijk krijgt, worden de door haar gemaakte proceskosten of het betaalde griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Zaagsma, rechter, in aanwezigheid vanmr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2024.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen.
Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.