Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-19
ECLI:NL:RBAMS:2024:3627
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,221 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2871
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker
(gemachtigde: mr. R. Meinen),
en
de burgemeester van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M.I. Houben).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 27 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de woning aan de [adres] [huisnummer] in Amsterdam (hierna: de woning), met ingang van 29 mei 2024 voor de duur van drie maanden gesloten.
1.2.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de sluiting van de woning per direct wordt opgeschort gedurende de bezwaarprocedure.
1.3.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
2. Verzoeker is huurder van de woning. Op maandag 25 maart 2024 werd een onderzoek ingesteld naar de woning naar aanleiding van een aanhouding. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat het volgende is aangetroffen in de woning: 11.596 gram voorgedraaide joints, 3.795 gram (bruto) gedroogde hennep en 683 gram hasj. Naar aanleiding van voornoemde constateringen heeft verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet en de Beleidsregels de woning gesloten voor de duur van drie maanden.
Beoordeling
3. Verzoeker heeft op zitting aangegeven dat hij inmiddels een nieuwe huurwoning heeft waarvan hij op 3 juni 2024 de sleutels heeft gekregen. Voordat zijn woning aan de [adres] [huisnummer] door verweerder werd gesloten, wilde verzoeker al weg uit de woning, was hij van plan om te verhuizen en had hij ook al zicht op een nieuw huis. Verzoeker zal dus niet meer terugkeren naar de woning. Het belang van verzoeker bij het opschorten van de woningsluiting is hierdoor enkel nog een financieel belang. Gedurende de drie maanden van de woningsluiting heeft verzoeker namelijk dubbele huurkosten.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel aspect, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Verzoeker heeft op zitting aangevoerd dat hij gedurende de woningsluiting van drie maanden zowel huurkosten heeft voor de gesloten woning als voor zijn nieuwe huurwoning. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker schulden heeft en dat het niet wenselijk is als er eventueel nieuwe schulden worden gemaakt als gevolg van dubbele huur. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker echter onvoldoende (met stukken) onderbouwd wat de financiële gevolgen van de dubbele huur voor hem zijn. Hierdoor kan het spoedeisend belang niet worden aangenomen en wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
5. Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat er nog aanleiding kan bestaan voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar indien het besluit evident onrechtmatig is. Het is de voorzieningenrechter echter niet gebleken dat daar sprake van is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Broek, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Besluit van de burgemeester van de gemeente Amsterdam houdende beleidsregels over de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet, de Gemeentewet en de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (Beleidsregels sluitingen en heropeningen Amsterdam), geldend van 01-02-2023 t/m heden.