Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-07
ECLI:NL:RBAMS:2024:3605
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,178 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.065682.24
Datum uitspraak: 7 mei 2024
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
wonende op het adres [adres]
1Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 mei 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. van Duijn en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B. Molleman, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de WSS) en door de moeder en grootvader van verdachte naar voren is gebracht.
2Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging, ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 25 februari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, omstreeks 01:45 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op de openbare weg, de Bastenakenstraat, althans op een openbare weg, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing en/of brandstichting teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (geïmproviseerde) (vuurwerk)bom (bestaande uit een plastic fles met kerosine en/of motorbenzine, althans een brandbare vloeistof, voorzien van twee, althans één of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk), kennelijk bestemd tot het
in vereniging, althans alleen, begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 25 februari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (geïmproviseerde) (vuurwerk)bom (bestaande uit een plastic fles met kerosine en/of motorbenzine, althans een brandbare vloeistof, voorzien van twee, althans één of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
3Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4Waardering van het bewijs
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
Gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de inhoud van de bewijsmiddelen is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Bewijsoverweging gevaar
De rechtbank dient te beslissen over welk gevaar de ontploffing teweeg heeft kunnen brengen. Het gevaar wordt bepaald aan de hand van algemene ervaringsregels. Met betrekking tot een voorbereiding van dit misdrijf brengt een redelijke wetsuitleg mee dat het opzet niet alleen op de ontploffing maar ook moet zijn gericht op het naar algemene ervaringsregels voorzienbare gevaar van bedoelde voorwerpen en/of stoffen voor de door artikel 157 Sr beschermde rechtsgoederen (HR 5 juni 2012, NJ 2012/670, LJN BW4230).
Vaststaat dat verdachte en zijn medeverdachte de zelf gefabriceerde bom voor de voordeur van de woning van aangever [aangever] tot ontploffing moesten brengen. Dat daarmee een gevaar voor goederen zou bestaan heeft tijdens de behandeling ter zitting niet ter discussie gestaan. Dit blijkt ook voldoende uit het dossier en acht de rechtbank bewezen.
Anders dan de raadsvrouw acht de rechtbank, met de officier van justitie, op basis van het dossier eveneens bewezen dat een ontploffing voor de voordeur van de woning van de aangever levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel zou opleveren. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Uit het sfeer proces-verbaal van bevindingen betreffende explosieven volgt dat er bij gebruik van zwaar vuurwerk als Cobra’s in de vorm van een zelfgemaakt explosief algemene gevaarzettingen bekend zijn, waaronder gevaar voor brand door de vlam bij het afgaan van het explosief en gevaar voor personen die zich nabij het explosief bevinden bij het ontploffen. Dit zijn de gevaarzettingen bij het afsteken van één Cobra. De impact en het gevaar is groter bij het afsteken van meerdere Cobra’s tegelijk. In dit geval zaten er twee stuks Cobra 6 en een fles met de brandbare vloeistof, motorbenzine, aan elkaar geplakt met tape. Dit in combinatie met het nachtelijke tijdstip waarop het explosief zou worden neergelegd, rond 01:30 uur, en de omstandigheid dat het voor de voordeur van een woning werd gelegd terwijl de vrouw van de aangever en vier minderjarige kinderen aanwezig waren, maakt dat hij de aanmerkelijke kans op het gevaar dat iemand zwaar lichamelijk letsel zou oplopen of zelfs zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de raadvrouw.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat het ten laste gelegde medeplegen van wapenbezit wettig en overtuigend kan worden bewezen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
5Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de vervatte bewijsmiddelen bewezen dat
1
hij op 25 februari 2024 te Amsterdam, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op de openbare weg, de Bastenakenstraat, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, opzettelijk tezamen en in vereniging met anderen, een geïmproviseerde vuurwerkbom (bestaande uit een plastic fles met motorbenzine, voorzien van twee stuks zwaar vuurwerk), kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;
2
hij op 25 februari 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde vuurwerkbom (bestaande uit een plastic fles met motorbenzine, voorzien van twee stuks zwaar vuurwerk), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.
6Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Motivering
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Als bijzondere voorwaarden moeten de door hulpverlening geadviseerde voorwaarden worden verbonden aan het voorwaardelijk strafdeel. Aanvullend moeten als bijzondere voorwaarden worden verbonden dat verdachte meewerkt aan begeleiding door een coach, zich houdt aan een weekrooster waarbij voor de avondklok een maximum duur geldt van drie maanden en zich houdt aan een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] .
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een werkstraf voor de duur van 100 uren te vervangen door 50 dagen jeugddetentie wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat het vormverzuim, dat hieronder zal worden besproken, tot strafvermindering moet leiden en dat rekening moet worden gehouden met de eendaadse samenloop. Ook heeft de raadsvrouw bepleit om vooral rekening te houden met de positieve persoonlijke omstandigheden van verdachte en hem een voorwaardelijk strafdeel op te leggen conform het advies van de hulpverlening. Verdachte heeft lang in voorarrest gezeten en heeft daarna strenge schorsingsvoorwaarden gehad. Dit heeft veel impact op hem gehad. Met betrekking tot een avondklok in het weekrooster heeft de raadsvrouw opgemerkt dat deze moet worden beperkt tot de duur van één maand en ter beoordeling van de jeugdreclassering moet zijn.
Gezien de druk die op verdachte is uitgeoefend bij het plegen van de feiten is de raadsvrouw bovendien van mening dat een werkstraf naast een voorwaardelijk strafdeel niet passend is.
Beoordeling
Bij de bepaling van de op te leggen straf is rekening gehouden met de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorbereiden van het teweegbrengen van een ontploffing tegen een woning met zwaar vuurwerk, waardoor schade voor goederen en personen te duchten is geweest. Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft kennelijk tot doel personen te intimideren. Het is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke strafbare feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft er niet bij stilgestaan hoe traumatiserend dergelijke handelingen voor de bewoners van een woning waarvoor een explosief wordt neergelegd, kunnen zijn. Ter zitting heeft verdachte spijt betuigd en ziet nu in wat de gevolgen hadden kunnen zijn.
Vormverzuim
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering omdat aangever [aangever] bij de aanhouding fors en disproportioneel geweld heeft gebruik. Gelet op de gevolgen die de onrechtmatige aanhouding voor verdachte hebben gehad, verzoekt de raadsvrouw om hiermee in strafmatigende zin rekening mee te houden.
Met de officier van justitie concludeert de rechtbank dat de aanhouding door aangever [aangever] geen vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering kan opleveren. Het bereik van dit artikel ziet op het onderzoek voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting dat valt onder verantwoordelijkheid van politie en het openbaar ministerie (HR 5 september 2006, NJ 2007/336). Handelingen van particulieren, zoals in de geval van aangever [aangever] , vallen niet onder het bereik van deze bepaling (HR 14 januari 2003 NJ 2003/288). De rechtbank ziet daarom geen reden tot strafvermindering op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 9 april 2024. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Hij wordt dus aangemerkt als first offender.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de Raad van 1 mei 2024, dat in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte is opgemaakt. Uit het rapport blijkt – samengevat – dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor de ten laste gelegde feiten en spijt betuigt. De indruk bestaat dat een gebrek aan vaardigheden in combinatie met de beïnvloedbaarheid van verdachte hebben bijgedragen aan het plegen van de feiten. Om recidive te voorkomen is de Raad van mening dat er ingezet moet worden op eventuele onderliggende problemen. Het is van cruciaal belang dat de jeugdreclassering samen met verdachte stappen onderneemt en inzicht verkrijgt in wat er verder nodig is om de risicofactoren te verminderen. De Raad adviseert daarom een deels voorwaardelijke jeugddetentie met oplegging van bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden zien op het meewerken aan het verkrijgen en behouden van positieve vrijetijdsbesteding, meewerken aan hulpverlening en het volgen van school volgens het schoolprogramma. De Raad vindt het niet wenselijk dat verdachte weer vast komt te zitten en adviseert het onvoorwaardelijke deel gelijk te stellen aan het voorarrest van de verdachte. Ter zitting heeft de Raad aanvullend verklaard dat het nu opgelegde weekrooster nog moet voortduren en een taakstraf wat de Raad betreft niet veel toevoegt.
De WSS heeft ter zitting naar voren gebracht dat er een fijne samenwerking is met verdachte en zijn gezin. Op school gaat het goed en verdachte heeft inmiddels ook een bijbaan. Verdachte is aangemeld voor begeleiding door een jongerencoach vanuit [naam kinderopvang] . Met behulp van de coach kan gewerkt worden aan het vergroten van de vaardigheden van verdachte en aan zijn weerbaarheid. De WSS adviseert om een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met de voorwaarden dat verdachte meewerkt aan begeleiding door de coach, zich houdt aan het schoolrooster en zich houdt aan de afspraken en voorwaarden.
De moeder en de grootvader van verdachte hebben ter zitting verklaard dat zij veel met verdachte praten en dat zij hulp aanvaarden die helpt voorkomen dat zoiets nog een keer gebeurt.
Alle hiervoor genoemde omstandigheden afwegende is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigen. In principe is de rechtbank van oordeel dat bij zulke ernstige bewezenverklaarde feiten een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden is dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. In de persoon van de verdachte, vanwege zijn goede inzet tijdens de schorsing en in het feit dat verdachte first offender is, ziet de rechtbank echter aanleiding om het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie gelijk te stellen aan de tijd die verdachte al heeft vastgezeten en daarnaast aan verdachte een langere voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daaraan gekoppeld de door de Raad en de WSS geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte gaat werken aan het verminderen van de risicofactoren voor de kans op herhaling, zoals het vergroten van zijn vaardigheden en weerbaarheid. De bijzondere voorwaarden moeten verdachte helpen zijn positieve ontwikkeling voort te zetten en vast te houden. Daarnaast moet een fors voorwaardelijk strafdeel verdachte ervan weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten. De rechtbank zal tevens een contactverbod met beide medeverdachten als bijzondere voorwaarde opnemen. De rechtbank vindt het belangrijk dat verdachte zich bij toenadering door de medeverdachten kan beroepen op het contactverbod en hierdoor contact makkelijker kan afhouden, zeker nu er vanuit de medeverdachten geen contactverbod met verdachte loopt. De rechtbank wijkt af van de strafvordering van de officier van justitie wat betreft de taakstraf en zal verdachte geen taakstraf opleggen, gelet op het volle programma van verdachte voortkomend uit de bijzondere voorwaarden. Het weekrooster dat al langere tijd van toepassing is en ook nog zal voortduren is nagenoeg een vorm van huisarrest.
10Benadeelde partij
De benadeelde partij [aangever] vordert € 1.500,- aan materiële schadevergoeding, € 100.000,- aan immateriële schadevergoeding en € 87.500,- aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de materiële schadevergoeding af te wijzen wegens een gebrek aan onderbouwing. Daarbij heeft de raadsvrouw ook opgemerkt dat uit het dossier blijkt dat de camera’s van de aangever niet zijn aangeschaft naar aanleiding van het incident op 25 februari 2024, maar dat van 21 februari 2024.
De benadeelde partij moet ten aanzien van de immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Er zijn geen onderbouwende stukken ingediend en uit de toelichting blijkt dat het mede ziet op de gebeurtenissen van 21 februari 2024.
Beoordeling
Ten aanzien van de materiële schade:
De materiële schade is door de verdediging voldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat er op 21 februari 2024 een soortgelijk incident heeft plaatsgevonden. De aangever heeft verklaard naar aanleiding van dit incident in de nachten in zijn woonkamer op de camerabeelden te kijken. Op basis hiervan concludeert de rechtbank dat de camera’s eerder zijn aangeschaft en niet naar aanleiding van het bewezenverklaarde onder feit 1. Nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is van rechtstreekse schade door het handelen van verdachte zal de rechtbank dit deel van de vordering afwijzen.
Ten aanzien van de immateriële schade:
De benadeelde partij zal ten aanzien van de immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering tegenover de betwisting onvoldoende is onderbouwd. Het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de affectieschade:
Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De rechtbank stelt vast dat er in dit geval geen sprake is van ernstig en blijvend letsel of van een overleden slachtoffer. Nu er in casu geen affectieschade is zal de rechtbank de vordering voor dit deel afwijzen.
11Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Dictum
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van voorbereidingshandelingen van het medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 100 (honderd) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 25 (vijfentwintig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beveelt dat een gedeelte, groot 75 (vijfenzeventig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
2. zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang de jeugdreclassering dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
3. meewerkt aan het vinden en behouden van een zinvolle vrijetijdsbesteding;
4. het schoolprogramma volgt volgens het rooster;
5. meewerkt aan begeleiding door een jongerencoach vanuit [naam kinderopvang] ;
6. meewerkt en zich houdt aan het week/maandrooster dat opgesteld wordt door de jeugdreclassering, waarbij alleen de avondklok geldt voor de duur van maximaal drie maanden vanaf heden, te weten tot 7 augustus 2024;
7. gedurende de proeftijd van 1 jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 1] en met [persoon] , geboren op [geboortedatum 2] .
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
8. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
9. zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Wijst de vordering van benadeelde partij [aangever] ten aanzien van de materiële schade en affectieschade af.
Bepaalt dat de benadeelde partij [aangever] ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.S. Crince Le Roy, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. M. van der Kaay en A.G.P. van der Baan, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. van Amelsvoort, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2024.
De jongste rechter is buiten staat mede dit vonnis te ondertekenen.