Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-13
ECLI:NL:RBAMS:2024:3587
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,442 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-057356-23 (EAB I)
Datum uitspraak: 13 juni 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op – zo leest de rechtbank in het Poolse EAB – 31 januari 2023 door the District Court in Wroclaw, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] , Polen, op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 mei 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. Y. Nieboer, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een final and binding judgement van 4 juni 2022, met kenmerk II K 939/20. Hoewel in het vertaalde EAB the Regional Court for Wrocław-Śródmieście wordt vermeld als het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, blijkt uit het A-formulier, de op 2 mei 2024 door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie en het (originele) Poolse EAB dat het gaat om een vonnis van the District Court for Wrocław-Śródmieście, en daar gaat de rechtbank dan ook vanuit.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Volgens het EAB dient de gehele straf nog te worden uitgezeten. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat geen van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden zich voordoen. Het door de opgeëiste persoon opgegeven adres was het adres van zijn moeder, maar hij had geen contact meer met haar. De naar dat adres verzonden officiële correspondentie heeft hem dan ook niet bereikt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat afgezien kan worden van de toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 2 mei 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen en een adres heeft opgegeven waar de oproepen ook daadwerkelijk naar zijn toegestuurd. De opgeëiste persoon verklaart weliswaar dat hij geen contact meer had met zijn moeder maar het is aan de opgeëiste persoon om bereikbaar te zijn voor correspondentie met betrekking tot de lopende strafzaak.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort samengevat - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat - blijkens de aanvullende informatie van 2 mei 2024 van de Poolse autoriteiten - de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek, op 15 juni 2018, twee adressen in [geboorteplaats] heeft opgegeven ( [adres 2] en [adres 3] ). Hij is tijdens dat verhoor geïnformeerd over zijn rechten en plichten als verdachte, waaronder de verplichting om adreswijzigingen aan de justitiële autoriteiten door te geven. Ook is hij daarbij gewezen op de mogelijke gevolgen als hij niet aan die verplichting zou voldoen. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze instructie getekend. De oproepen zijn, blijkens de genoemde aanvullende informatie, ook daadwerkelijk naar die adressen gestuurd, maar zijn niet door de opgeëiste persoon in ontvangst genomen.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de lopende procedure en dat hij wist dat correspondentie over deze procedure naar de door hem opgegeven adressen zouden worden verzonden, hetgeen ook is gebeurd. Door geen inspanningen te verrichten om op de hoogte te blijven van het verloop van de strafzaak, heeft de opgeëiste persoon naar het oordeel van de rechtbank (stilzwijgend) afstand gedaan van zijn recht om bij het strafproces aanwezig te zijn dan wel is hij onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Dit leidt tot het oordeel dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon inhoudt. Het verweer wordt verworpen.
4Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
5Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Wrocław, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. C.M. Delstra en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).