Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-06-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:3525
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,336 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/044521-24
Datum uitspraak: 4 juni 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] .
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 mei 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, drs. mr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C. Polat, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding die is ingediend door benadeelde partij [benadeelde partij] .
2Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
primair
hij op of omstreeks 6 februari 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, bij die [benadeelde partij] een zogenoemde wurggreep/nekklem om de keel/hals heeft aangebracht en/of druk heeft uitgeoefend op de keel/hals van die [benadeelde partij] , waardoor die [benadeelde partij] geen lucht meer kreeg en/of niet (vrij) kon ademen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 6 februari 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, te weten [benadeelde partij] , hoofdagent bij de politie, Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van verdachte, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, bij die [benadeelde partij] een zogenoemde wurggreep/nekklem om de keel/hals heeft aangebracht en/of druk heeft uitgeoefend op de keel/hals van die [benadeelde partij] , waardoor die [benadeelde partij] geen lucht meer kreeg en/of niet (vrij) kon ademen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 6 februari 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, een ambtenaar, te weten [benadeelde partij] , hoofdagent bij de politie, Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van verdachte, heeft mishandeld door bij die [benadeelde partij] een zogenoemde wurggreep/nekklem om de keel/hals aan te brengen en/of druk uit te oefenen op de keel/hals van die [benadeelde partij] , waardoor die [benadeelde partij] geen lucht meer kreeg en/of niet (vrij) kon ademen en/of pijn/letsel had.
3Waardering van het bewijs
3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Uit de feiten en omstandigheden blijkt niet dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van aangever. De officier van justitie acht wel bewezen dat de verdachte de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling heeft begaan. Zij heeft daarbij gewezen op de aangifte, de verklaring van getuige [getuige] , het proces-verbaal van bevindingen en de letselverklaring.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot doodslag. Daartoe heeft hij – onder meer – het volgende aangevoerd. Allereerst zijn er geen concrete aanwijzingen dat verdachte opzet had of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever ten gevolge van zijn handelen zou komen te overlijden. Verdachte heeft één arm om de nek van aangever gelegd. Op basis van het dossier kan niet worden bewezen dat er een nekklem met beide armen is aangelegd. Daarbij komt dat de aard en duur van de handelingen van verdachte geen poging tot doodslag opleveren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman verwezen naar een aantal uitspraken.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en de meer subsidiair tenlastegelegde mishandeling.
3.3.
Beoordeling
In de eerste plaats moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte bij aangever een nekklem heeft aangelegd. Verdachte heeft deze vraag zowel ter terechtzitting als bij de politie ontkennend beantwoord. De rechtbank acht echter bewezen dat verdachte dat wel heeft gedaan. Dat blijkt uit de aangifte, de verklaring van getuige [getuige] , de letselverklaring en de foto’s van het letsel. Verdachte heeft zijn rechterarm om de nek van aangever gedaan. Vervolgens heeft verdachte een nekklem bij hem aangelegd. Dit deed hij gedurende enige tijd met kracht waarbij de luchtwegen van aangever zijn dichtgedrukt. De rechtbank legt in dit verband de nekklem uit als het met één arm met kracht omklemmen van de hals van aangever.
Vrijspraak poging tot doodslag (primair)
De vervolgvraag is hoe het handelen van verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden. Voor een bewezenverklaring van een poging doodslag moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van aangever. Uit de verklaringen van verdachte kan dat (vol) opzet niet worden afgeleid, omdat verdachte – naar eigen zeggen – alleen maar wilde vluchten voor de politie in verband met een nog openstaande gevangenisstraf en toen in een worsteling met aangever terecht is gekomen. Voor de vraag of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever is daarom van belang of hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door zijn handelen zou komen te overlijden. De rechtbank kan op basis van het dossier niet de exacte duur en intensiteit van de nekklem en van het dichtdrukken van de luchtwegen vaststellen en daarmee evenmin of er daadwerkelijk sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat aangever door het handelen van verdachte zou komen te overlijden.
De rechtbank acht daarom, evenals de officier van justitie en de raadsman, een poging tot doodslag niet bewezen en spreekt verdachte hiervan vrij.
Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling (subsidiair)
De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte gedurende enige tijd met kracht druk op de hals van aangever heeft uitgeoefend waardoor aangever geen lucht meer kreeg. De rechtbank stelt in dit verband vast dat bij aangever ook letsel is geconstateerd, namelijk roodheid in zijn hals aan beide zijden. De rechtbank overweegt dat het gedurende enige tijd met kracht druk uitoefenen op iemands keel in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich brengt dat ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Op die plaats bevinden zich namelijk kwetsbare en vitale weke delen van de hals. Ook zou een gebrek aan zuurstof gedurende langere tijd tot een hersenbeschadiging kunnen leiden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte had kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Dat dit is voorkomen, lijkt slechts te danken aan het optreden van de verbalisanten die aangever te hulp schoten en die verdachte aanriepen te stoppen waarna verdachte is gestopt. Na het incident hebben de verbalisanten gezien dat aangever op zijn hurken zakte, zwaar ademde en moest hoesten. Het handelen van verdachte kan, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders worden uitgelegd dan dat verdachte hiermee de aanmerkelijke kans dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen willens en wetens heeft aanvaard.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling.
4Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
subsidiair
op 6 februari 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar, te weten [benadeelde partij] , hoofdagent bij de politie, Eenheid Amsterdam, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten de aanhouding van verdachte, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, bij die [benadeelde partij] een zogenoemde nekklem om de hals heeft aangebracht en druk heeft uitgeoefend op de hals van die [benadeelde partij] , waardoor die [benadeelde partij] geen lucht meer kreeg en/of niet (vrij) kon ademen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
Motivering
7.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar subsidiair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daaraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals genoemd in het reclasseringsadvies van Reclassering Inforsa van 15 mei 2024.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden of een taakstraf.
7.3.
Beoordeling
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een politieagent. Door het handelen van verdachte is de politieagent in een voor hem gevaarlijke en angstige situatie terecht gekomen, waarbij hij geen lucht meer kreeg. De omstanders dachten zelfs dat de politieagent zou stikken. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het handelen van verdachte heeft een grote impact gehad op het slachtoffer en zijn collega’s. Juist politieagenten en andere hulpverleners moeten veilig hun werk kunnen doen. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.
Uit de slachtofferverklaring van de politieagent en zijn verklaring ter terechtzitting blijkt dat de worsteling naast de fysieke pijn, een aanzienlijke impact heeft gehad op de agent bij de uitoefening van zijn functie. Het slachtoffer ervaart ook nu nog onrust op zijn werk en merkt dat hij tijdens zijn diensten alerter is dan voorheen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 11 april 2024. Hieruit blijkt dat hij wel eerder is veroordeeld voor strafbare feiten – waaronder geweldsdelicten – maar dat dit al langer dan vijf jaar geleden is.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Inforsa van 15 mei 2024. Uit dit advies volgt – zakelijk weergegeven – onder meer dat verdachte een uitgebreid justitieverleden heeft en voorheen behoorde tot de Top 600. In het verleden is getracht hulpverlening in te zetten en verdachte toe te leiden naar interventies, maar hij stond niet open voor hulp of reclasseringsbemoeienis en achtte zichzelf in staat zijn leven op de rit te krijgen. Verdachte woont bij zijn (stief)ouders, ontvangt geen inkomen en heeft geen zinvolle dagbesteding. Hij heeft een relatie en zijn vriendin is momenteel zwanger. In het verleden is een licht verstandelijke beperking bij hem vastgesteld en was er sprake van psychische problematiek. Verder is sprake van een gebrek aan copingsvaardigheden en probleemoplossende vaardigheden. Diagnostiek op het gebied van psyche en intelligentieonderzoek acht de reclassering geïndiceerd. Daarnaast acht de reclassering reclasseringsbemoeienis, behandeling en interventies op het gebied van dagbesteding, inkomen en middelencontrole geïndiceerd. Wel heeft de reclassering vraagtekens over de haalbaarheid van een drangkader. Verdachte toont zich ambivalent over de geïndiceerde voorwaarden maar geeft uiteindelijk wel aan dat hij hieraan zal meewerken. De reclassering wil verdachte het voordeel van de twijfel geven om zich binnen een drangkader te bewijzen. De reclassering adviseert daarom een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht in aanmerking genomen. Het oriëntatiepunt voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder gebruik te maken van een wapen is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Wanneer er bijvoorbeeld een kopstoot wordt gegeven of wordt getrapt tegen het hoofd, is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De rechtbank is van oordeel dat het aanleggen van een nekklem past binnen dit tweede oriëntatiepunt. Het is daarnaast strafverhogend als het een zware mishandeling van een politieagent betreft. Strafverlagend is dat het een poging betreft.
De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met zijn proceshouding. Hij heeft aangeboden een mediationtraject in te gaan met de politieagent. Ook heeft verdachte ter terechtzitting zijn spijt betuigd en excuses gemaakt aan de agent.
De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit. Wel acht de rechtbank het wenselijk dat aan verdachte, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een deel van de straf voorwaardelijk wordt opgelegd en dat daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Verdachte zal dan na zijn detentie hulp van de reclassering kunnen aannemen bij zijn terugkeer in de maatschappij. Gelet op het reclasseringsadvies acht de rechtbank een ambulante behandeling en interventies van belang. Alles afwegende legt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden de bijzondere voorwaarden verbonden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, dagbesteding en meewerken aan middelencontrole.
De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie. Daarbij is met name bepalend dat de rechtbank uitgaat van de juridische kwalificatie, te weten een poging tot zware mishandeling en de daarbij behorende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.
8Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 600,00 aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
8.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet verzet tegen toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
8.3.
Beoordeling
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het subsidiair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet door de verdediging betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiair bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro).
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 302, 304 van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Subsidiair
poging tot zware mishandeling tegen ambtenaar
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij de reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.
2. Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
3. Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
4. Meewerken aan middelencontrole
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 6 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 600,00 (zeshonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade 6 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.C.J. Klaver, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en M.M. Helmers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.L.M. Meulman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2024.
[.]
ECLI:NL:RBZWB:2022:1627; ECLI:NL:RBNNE:2013:1526; ECLI:NL:GHAMS:2018:910; arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2017 met parketnummer 21/000550-17.