Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-14
ECLI:NL:RBAMS:2024:2856
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
3,127 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-030963-24
Datum uitspraak: 14 mei 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 7 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 januari 2024 door Amtsgericht Münster, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting 30 april 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. A.A.T.X. Vonken, advocaat in Maastricht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Nederlandse en Tsjechische nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrestatiebevel door het Amtsgericht Münster (kantongerecht) van 11 januari 2024, met referentie 23 Gs 226/24.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon. Onder de opgeëiste persoon is in beslag genomen: een mobiele telefoon, iPhone, kleur zwart.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Haar overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Hoofdofficier van Justitie te Münster heeft op 22 maart 2024 ten behoeve van de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven:
“Europees arrestatiebevel van 17-01-2024 betreffende [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag]1993 in [geboorteplaats] (Nederland)
Geachte dames en heren,
Bij dezen wordt verzekerd dat de vervolgde persoon, in geval van een rechtsgeldige veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland, op basis van de geldige lezing van het kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafvonnissen waarbij een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel wordt opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging daarvan in de Europese Unie (pbl. L 327 van 05-12-2008, pagina 27) voor de verdere tenuitvoerlegging naar Nederland zal worden overgedragen.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 13 OLW moet worden geweigerd, omdat de feiten zich deels op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van de weigeringsgrond van artikel 13 OLW moet worden afgezien. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat het onderzoek in Duitsland is aangevangen, het bewijsmateriaal en de medeverdachten zich in Duitsland bevinden, de verdovende middelen in Duitsland zijn ingevoerd en vervoerd, dat het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens om de opgeëiste persoon te vervolgen en dat er bovendien een terugkeergarantie is verstrekt aan de opgeëiste persoon.
Beoordeling
Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt met de officier van justitie vast dat het onderzoek in Duitsland is aangevangen, het bewijsmateriaal en de medeverdachten zich daar bevinden, de Duitse rechtsorde is geschonden en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is om de opgeëiste persoon te vervolgen. In dat licht vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, acht de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
7Artikel 11 OLW: Duitse detentieomstandigheden
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich met een beroep op het evenredigheidsbeginsel op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon mogelijk tot een schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal leiden. Volgens de raadsman kan de opgeëiste persoon die depotmedicatie ontvangt voor psychische klachten, in Duitse penitentiaire inrichtingen worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling, omdat er geen directe (adequate) behandeling mogelijk is.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden toegestaan, aangezien artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Primair heeft de officier van justitie zich - onder verwijzing naar jurisprudentie - op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 11 OLW zich in de overleveringsprocedure niet voordoet, aangezien ten aanzien van Duitse detentie-instellingen geen algemeen gevaar is aangenomen, ook niet ten aanzien van gedetineerden met psychi(atri)sche problemen. Op grond van artikel 35 OLW kan bij de feitelijke overlevering de medische situatie van de opgeëiste persoon onder de aandacht van de Duitse autoriteiten worden gebracht.
Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie indien wordt gedoeld op een schending door de uitvoerende lidstaat bij toestaan van de overlevering.
Beoordeling
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de raadsman niet op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft onderbouwd dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat personen met psychische klachten die in Duitsland zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld. Alleen al hierom slaagt het verweer niet. Nu de raadsman desgevraagd te kennen heeft gegeven geen verweer te hebben gevoerd zoals dat door de officier van justitie als subsidiair standpunt naar voren is gebracht, behoeft dat geen verdere bespreking.
8Overdracht in beslaggenomen goed
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht te beslissen tot het toestaan van de overdracht van de in beslag genomen Iphone aan de Duitse autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 49 OLW regelt de mogelijkheid van inbeslagname van voorwerpen die in het bezit van de opgeëiste persoon worden aangetroffen op verzoek van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het gaat daarbij volgens de wetgever om voorwerpen ‘die als bewijsstuk kunnen dienen’ of ‘van het strafbare feit afkomstig zijn’ (NV II, Kamerstukken II 2003/04, 29042, 12, p. 36).
Artikel 50, tweede lid, OLW bepaalt dat het voor afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moet gaan om voorwerpen die de strafvordering in de uitvaardigende lidstaat kunnen dienen (zie onder meer Rb. Amsterdam 21 januari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:371).
Bij de opgeëiste persoon is bij haar aanhouding een Iphone in beslag genomen. Voor wat betreft de overdracht van de bij de opgeëiste persoon inbeslaggenomen telefoon, die aldus de officier van justitie gegevens kan bevatten die tot het bewijs kunnen dienen, acht de rechtbank dit verzoek voldoende onderbouwd.
Gelet op het voorgaande, wijst de rechtbank het verzoek tot overdracht aan de Duitse autoriteiten van de inbeslaggenomen telefoon toe.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
Hieruit volgt dat de afgifte van het in beslag genomen voorwerp – een mobiele telefoon, iPhone, kleur zwart – aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.
10Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6, 7, 49 en 50 Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Amtsgericht Münster, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELT de afgifte van het in beslag genomen voorwerp– een mobiele telefoon, iPhone, kleur zwart – aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. Ch.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. P. Sloot en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 mei 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.