Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-08
ECLI:NL:RBAMS:2024:2844
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,435 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.255077.23
Datum uitspraak: 8 mei 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 12 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2023 door de Sąd Okręgowy (Circuit Court) Warszawa-Praga in Warsaw, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 28 maart 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 maart 2024, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tussenuitspraak 11 april 2024
Op 11 april 2024 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak (ECLI:NL:RBAMS:2024:2084) het onderzoek heropend en voor bepaalde tijd geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot de weigeringsgrond in artikel 12 OLW.
Zitting 2 mei 2024
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – voortgezet op de zitting van 2 mei 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgment of Sąd Rejonowy (District Court) in Legionowo van 11 oktober 2021, met referentie II K 779/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 364 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 11 april 2024 al vastgesteld dat er een procedure in hoger beroep heeft plaatsgevonden, die heeft geresulteerd in het arrest c.q. de beslissing van 22 september 2022 van de Circuit Court Waszawa Praga in Warsaw. De rechtbank heeft verder al geoordeeld dat deze beslissing in hoger beroep dient te worden getoetst aan artikel 12 OLW. Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het standpunt van de raadsman
De overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Op basis van de aanvullende informatie van 18 april 2024 kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon kennis had van het feit dat de adresinstructie ook gold voor de procedure in hoger beroep.
Het standpunt van de officier van justitie
De overlevering kan worden toegestaan. De opgeëiste persoon is weliswaar niet aanwezig geweest bij de zitting in hoger beroep, maar uit de aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten van 18 maart 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen en toen is geïnstrueerd over de gevolgen van het niet doorgeven van een adreswijziging. Verder volgt uit deze informatie dat een oproep voor de zitting in hoger beroep is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon gegeven adres. Ten slotte volgt uit de aanvullende informatie van 18 april 2024 van de Poolse autoriteiten dat de eerdergenoemde adresinstructie ook gold voor de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon had zodoende op de hoogte kunnen of moeten zijn van de procedure in hoger beroep. Het toestaan van de overlevering levert geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
In de aanvullende informatie van 19 maart 2024 van de uitvaardigende justitiële autoriteit is vermeld dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gehad en dat deze instructie van toepassing is op alle ‘criminal proceedings’ inclusief de procedure in hoger beroep. In de tussenuitspraak van 11 april 2024 heeft de rechtbank overwogen dat hieruit niet kan worden afgeleid of het voor de opgeëiste persoon kenbaar was dat de adresinstructie zich uitstrekte over de procedure in hoger beroep. In antwoord op de door de officier van justitie gestelde vragen hierover vermeldt de uitvaardigende justitiële autoriteit in aanvullende informatie van 18 april 2024 – onder verwijzing naar een artikel in het Poolse wetboek van strafvordering – nogmaals dat de adresinstructie geldig is voor de gehele procedure inclusief een eventueel hoger beroep. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft nagelaten om toe te lichten of en zo ja, op welke wijze, dit ook voor de opgeëiste persoon duidelijk was. Niet is komen vast te staan, bijvoorbeeld, dat deze informatie in de aan de opgeëiste persoon verstrekte adresinstructie was opgenomen en derhalve voor hem kenbaar was.
De rechtbank kan op basis van de verstrekte aanvullende informatie dan ook niet vaststellen of het voor de opgeëiste persoon kenbaar was dat de aan hem gegeven adresinstructie ook voor een eventueel hoger beroep gold. Nu er evenmin andere aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was of had kunnen zijn van de appelprocedure - het hoger beroep is namelijk ingesteld door een advocaat waarvan niet kan worden vastgesteld dat deze daartoe door de opgeëiste persoon gemachtigd was én de opgeëiste persoon is tijdens de procedure in hoger beroep vertegenwoordigd door een niet door hem gemachtigde ex officio advocaat -, is de rechtbank van oordeel dat het niet aan de opgeëiste persoon te wijten is dat officiële correspondentie met betrekking tot het hoger beroep hem niet heeft bereikt en kan niet worden aangenomen dat hij stilzwijgend afstand van zijn verdedigingsrechten heeft gedaan. Overlevering leidt daarom tot een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.
Aangezien de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de Overleveringswet uitspraak moet doen verstrijkt op 9 mei 2024, heeft de rechtbank geen mogelijkheid om (nogmaals) nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en zal de overlevering worden geweigerd.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 12 Overleveringswet.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sąd Okręgowy (Circuit Court) Warszawa-Praga in Warsaw, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Snijders Blok-Nijensteen, voorzitter,
mrs. B. van Galen en R.A. Sipkens, rechters,
in tegenwoordigheid van A. Gabriëlse en L.E. Poel, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 mei.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.