Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-15
ECLI:NL:RBAMS:2024:2822
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,832 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5404
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaak tussen
[eisers] te Amsterdam, eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
(gemachtigden: mr. J.E. van Bruggen, mr. N. Schepen en mr. L. Altevogt).
Partijen worden hierna aangeduid als eisers en het college.
Procesverloop
Eisers verzoeken de gemeente Amsterdam om op grond van de Spijtoptantenregeling te mogen overstappen van een voortdurend erfpachtrecht naar een eeuwigdurend erfpachtrecht.
Met een e-mail van 8 maart 2023 heeft een medewerker van het Team Klantvragen Erfpacht en Uitgifte, Grond en Ontwikkeling van de gemeente aan eisers meegedeeld dat de Spijtoptantenregeling niet op hen van toepassing is. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze e-mail. Verder hebben zij het college op 1 juni 2023 in gebreke gesteld.
Op 21 juli 2023 heeft het college het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit). Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 25 juli 2023 heeft het college eisers meegedeeld dat zij geen recht hebben op een dwangsom, omdat hun bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard (de dwangsombeschikking). Het beroep heeft ook betrekking op de dwangsombeschikking.
Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben hier een schriftelijke reactie op gegeven.
Het beroep is behandeld op de zitting van 23 april 2024. Eisers zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Volgens het college handelt de gemeente bij alle rechtshandelingen in het kader van de overstap naar eeuwigdurende erfpacht op grond van de Spijtoptantenregeling in haar privaatrechtelijke hoedanigheid als erfverpachter. Met de email van 8 maart 2023 heeft de gemeente gehandeld als erfverpachter, niet als bestuursorgaan. Het bezwaar is dus niet gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aldus het college in het bestreden besluit.
2. Eisers merken de e-mail van 8 maart 2023 wel aan als een besluit in de zin van de Awb. Zij stellen dat dit besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel, omdat ambtenaren van de gemeente via het gemeentelijke informatienummer 14020, via optie 5 speciaal voor
Erfpacht, op 25 januari 2023, 8 februari 2023 en 23 februari 2023 consistent toezeggingen hebben gedaan dat eisers zonder enige twijfel in aanmerking komen voor (de voordelen van) de Spijtoptantenregeling. Volgens eisers heeft het niet nakomen van deze toezeggingen tot gevolg dat zij niet kunnen overstappen naar een eeuwigdurend erfpachtrecht en daardoor lijden zij financieel nadeel.
3. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is publiekrechtelijk als het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. Een rechtshandeling is privaatrechtelijk van aard wanneer het bestuursorgaan een bevoegdheid hanteert die krachtens het burgerlijk recht ook door nietbestuursorganen kan worden gehanteerd.
4. De Spijtoptantenregeling is gepubliceerd in het Gemeenteblad van 23 november 2022. In de Spijtoptangenregeling is vermeld dat de regeling door het college is vastgesteld op grond van artikel 160, eerste lid, onder d, van de Gemeentewet. In artikel 160, eerste lid, onder d, van de Gemeentewet is bepaald dat het college in ieder geval bevoegd is tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te besluiten. Als het college op grond van deze bepaling grond in erfpacht uitgeeft, is dat een privaatrechtelijke rechtshandeling, omdat het college een bevoegdheid hanteert die krachtens het burgerlijk recht ook door nietbestuursorganen kan worden gehanteerd. Een private grondeigenaar kan immers ook grond in erfpacht uitgeven. In de Spijtoptantenregeling heeft het college bepaald welke erfpachters kunnen overstappen van een voortdurend erfpachtrecht naar een eeuwigdurend erfpachtrecht en onder welke voorwaarden zo’n overstap mogelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is de Spijtoptantenregeling een privaatrechtelijke regeling die door het college is vastgesteld in zijn hoedanigheid als privaatrechtelijke grondeigenaar/erfverpachter en niet als bestuursorgaan. Het college maakt hierbij uitsluitend gebruik van de hem in artikel 160, eerste lid, onder d, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid.
5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de mededeling in de
e-mail van 8 maart 2023 dat de Spijtoptantenregeling niet op eisers van toepassing is, geen publiekrechtelijke rechtshandeling is. Het college heeft het bezwaar van eisers tegen deze email dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze niet was gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
6. Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke bespreking van de door eisers gestelde strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarvoor kunnen zij zich tot de civiele rechter wenden.
7. De rechtbank zal het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
8. Op grond van wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het college zich in de dwangsombeschikking terecht op het standpunt heeft gesteld dat op grond van artikel 4:17, zesde lid, onder c, van de Awb geen dwangsom is verschuldigd. Het bezwaar is immers kennelijk niet-ontvankelijk.
9. Het beroep tegen zowel het bestreden besluit als de dwangsombeschikking is ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. Zij krijgen daarom hun proceskosten en het griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 juli 2023 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen de dwangsombeschikking van 25 juli 2023 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M.N. van den Hazel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
U kunt binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Is uw zaak spoedeisend en moet al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist dat niet kan wachten, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige maatregel te treffen.
Dit volgt uit artikel 4:19, eerste lid, van de Awb.
Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 21 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC8447.
Nr. 525691
Zie ook gerechtshof Amsterdam 11 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2448 (overweging 5.4.7).