Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-05-15
ECLI:NL:RBAMS:2024:2760
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,314 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/459
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen de inburgeringsplicht op grond van de Wet inburgering 2021.
1.2.
Met het bestreden besluit van 8 december 2022 heeft de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het bezwaar van [eiseres] tegen de brief van DUO van 25 mei 2022 waarin staat dat [eiseres] inburgeringsplichtig is, niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2024 met behulp van een beeld- en telefoonverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van DUO.
Beoordeling
2.1.
De rechtbank beoordeelt of DUO het bezwaar tegen de inburgeringsplicht van [eiseres] kennelijk niet-ontvankelijk mocht verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] .
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht DUO het bezwaar van eiseres tegen de inburgeringsplicht kennelijk niet-ontvankelijk verklaren?
3.1.
Sinds 1 januari 2022 is er een nieuw inburgeringsstelsel in Nederland in werking getreden. In artikel 3 van de Wet inburgering 2021 staat dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van artikel 8, onderdelen a en c van de Vreemdelingenwet 2000, die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft, inburgeringsplichtig is. Vóór 1 januari 2022 waren Turkse onderdanen uitgesloten van deze inburgeringsplicht omdat dit in strijd was met het associatierecht tussen de EU en Turkije.
3.2.
[eiseres] heeft de Turkse nationaliteit. Sinds 12 februari 2022 heeft zij rechtmatig verblijf in Nederland op grond van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd volgens artikel 8, onder a van de Vreemdelingenwet 2000. Op 25 april 2022 heeft zij haar verblijfsdocument opgehaald. Hiermee is haar verblijfsrecht bekend gemaakt. Vanaf 17 mei 2022 staat zij ingeschreven op een adres in de Nederlandse Basisregistratie Personen. Op 25 mei 2022 ontving zij een brief van DUO waarin staat dat zij inburgeringsplichtig is.
Standpunt [eiseres]
3.3.
[eiseres] is van mening is dat zij is vrijgesteld van de inburgeringsplicht. Zij is in deze veronderstelling omdat zij goedkeuring ontving om rechtmatig in Nederland te verblijven, zonder (vooraf) aan de inburgeringsplicht te voldoen. Aangezien het gebruikelijk is om in te burgeren in het land van herkomst en [eiseres] dit niet deed maar wel naar Nederland mocht komen, dacht zij dat ze was vrijgesteld van de inburgeringsplicht.
Standpunt DUO
3.4.
DUO is van mening dat het beroep van [eiseres] kennelijk niet-ontvankelijk is omdat de inburgeringsplicht voortvloeit uit de wet. Om die reden heeft DUO ook afgezien van het horen van [eiseres] tijdens de bezwaarprocedure. DUO stelt dat de datum van het verstrekken van de verblijfsvergunning leidend is. Op deze datum, 12 februari 2022, waren Turkse onderdanen als gevolg van de nieuwe wetgeving niet meer vrijgesteld van de inburgeringsplicht. De inburgeringsplicht volgt dus uit de wet, en niet uit de brief van 25 mei 2022. Die brief heeft dan ook geen rechtsgevolg en is geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom is het bezwaar tegen die brief kennelijk niet-ontvankelijk.
Oordeel van de rechtbank
4.1
De rechtbank kan zich niet vinden in het oordeel van DUO dat het bezwaar van [eiseres] kennelijk niet-ontvankelijk is. Het bestuursorgaan kan het bezwaar alleen kennelijk niet-ontvankelijk verklaren als er op voorhand redelijkerwijs geen mogelijkheid bestaat tot een andere uitkomst van het bezwaar. In andere woorden, er moet redelijkerwijs geen twijfel mogelijk zijn bij het bestuursorgaan. In zo’n situatie mag het bestuursorgaan ook afzien van het horen in de bezwaarfase.
4.2.
De omstandigheden in deze zaak leiden ertoe dat er volgens de rechtbank discussie kan bestaan over de inburgeringsplicht van [eiseres] . Het gebruik van het woord ‘kennelijk’ sluit deze discussie uit en is daarmee een onjuiste conclusie. DUO is niet ingegaan op het argument van [eiseres] dat een vreemdeling in het land van herkomst dient te voldoen aan de inburgeringsplicht, dat er anders er geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) wordt afgegeven en dat de vreemdeling dan geen toegang krijgt tot Nederland. [eiseres] kreeg wel toestemming om naar Nederland te komen zonder eerst in Turkije in te burgeren. Daarom ging zij ervan uit dat zij niet inburgeringsplichtig is.
4.3.
Indien [eiseres] er inderdaad vanuit mocht gaan dat zij niet inburgeringsplichtig was, heeft DUO ten onrechte op 25 mei 2022 een brief aan haar gestuurd waarin DUO meldde dat zij wel inburgeringsplichtig is. DUO kan zich dan niet op het standpunt blijven stellen dat het bezwaar niet-ontvankelijk was omdat de brief van 25 mei 2022 geen besluit was in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dat standpunt zou dan namelijk betekenen dat [eiseres] niet kan opkomen tegen de inburgeringsplicht met haar argument dat zij ervan uit mocht gaan niet inburgeringsplichtig te zijn. DUO dient dit argument te beoordelen in de bezwaarfase, en dient [eiseres] in dat kader ook te horen.
Conclusie
5.1.
Het beroep is gegrond omdat het bezwaar niet kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat [eiseres] gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
5.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat DUO een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft DUO hiervoor zes weken.
5.3.
Omdat het beroep gegrond is moet DUO het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. DUO moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 december 2022;
- draagt DUO op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat DUO het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt DUO tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het associatierecht van de Europese Unie met Turkije is neergelegd in de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: EEG) en Turkije, op 12 september 1963 te Ankara ondertekend door de Turkse Republiek enerzijds en door de lidstaten van de EEG en de EEG anderzijds, en namens de EEG gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij Besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963, Pb. 1964, 217, blz. 3685, in het Aanvullend Protocol, op 23 november 1970 te Brussel ondertekend en namens de EEG gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij Verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972, Pb L 293, blz. 1, en in besluiten van de Associatieraad EEG-Turkije waaronder Besluit 1/80 van 19 september 1980.