Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-03-13
ECLI:NL:RBAMS:2024:2754
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
924 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2256
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , te Amsterdam, eiser,
(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
De rechtbank heeft op 22 april 2022 een beroepschrift ontvangen dat is gericht tegen verweerders uitspraak op bezwaar van 4 april 2022 (de bestreden uitspraak).
Op 14 september 2022 heeft eiser het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Overwegingen
1. Eiser heeft bij de intrekking van het beroep verzocht om vergoeding van de proceskosten, bestaande uit de forfaitaire vergoeding in beroep. De rechtbank sluit het onderzoek en zal uitspraak doen buiten zitting. Het verzoek is kennelijk ongegrond.
2.1
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen en beantwoordt deze vraag ontkennend. De rechtbank stelt daarbij het volgende vast.
2.2
Het beroep van eiser is gericht tegen de bestreden uitspraak waarin eisers bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting met nummer [nummer] gegrond is verklaard. Eiser heeft in het beroepschrift aangevoerd dat verweerder heeft verzuimd de dwangsomvergoeding in de bestuurlijke fase te verbeuren.
2.3
Bij de intrekking van het beroep heeft eiser een uitspraak op bezwaar van
24 augustus 2022 gevoegd waarin het bezwaarschrift van eiser tegen het primaire besluit van 8 juni 2022, waarin verweerder de hoogte van de dwangsomvergoeding in de bestuurlijke fase had vastgesteld, gegrond heeft verklaard.
2.4
Uit het voorgaande volgt dat eiser voor de dwangsomvergoeding in de bestuurlijke fase een aparte rechtsgang – de bezwaarprocedure – heeft gevoerd. Uit de systematiek van de Awb volgt dat het niet mogelijk is om tegelijk twee rechtsmiddelenprocedures – hier: bezwaar en beroep – te voeren tegen hetzelfde geschil. Het had in dit geval, omdat hij reeds beroep had ingesteld, op de weg van eiser gelegen om een keuze te maken voor welke rechtsgang hij zou kiezen. Dat heeft eiser niet gedaan en deze onduidelijke procesvoering dient dan ook voor zijn rekening te komen. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder de onderhavige bestreden uitspraak heeft herzien of ingetrokken.
3. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten wordt afgewezen.
4. Er is niet tegemoetgekomen. Vergoeding van het griffierecht is dus niet aan de orde.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, rechter, in aanwezigheid van
M.P. Osinga Sanders, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
13 maart 2024
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak, dan kunt u een verzetschrift opsturen naar deze rechtbank. U kunt een verzetschrift opsturen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In het verzetschrift kunt u vragen om te worden gehoord. In dat geval vindt alsnog een zitting plaats.
Coll: M.P.O.
D: B
onder toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
onder toepassing van artikel 8:54, eerste lid, Awb op grond van artikel 8:75a, derde lid, Awb