Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-03
ECLI:NL:RBAMS:2024:2690
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,435 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/303019-23
Datum uitspraak: 3 april 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 25 januari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2023 door de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen (België), hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001 ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 maart 2023, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Rafik, advocaat te Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een op 30 oktober 2023 door de Onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, bij verstek uitgevaardigd aanhoudingsbevel. Referentie dossier nr: 2022/068 OR [naam]; not.nr.:AN45.LB.37164-22.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit.
Dit feit is omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 1, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aan de hand van zijn ter zitting overgelegde pleitaantekeningen met als bijlagen een tweetal nieuwsberichten van de Gazet van Antwerpen (GVA) van 13 maart 2024 en van Het Laatste Nieuws (HLN) van 19 maart 2024 op grond van het navolgende primair aangevoerd dat de overlevering met toepassing van artikel 11 OLW wordt geweigerd.
In deze zaak is weliswaar een individuele detentiegarantie afgegeven voor de detentie-instelling van Antwerpen, maar dat maakt niet dat de opgeëiste persoon in de gevangenis van Antwerpen geen reëel gevaar loopt van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van
artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit gevaar is des te reëler geworden gelet op de recente nieuwsberichten waarin wordt bericht over de ernstige mishandeling van een gedetineerde door medegedetineerden in de gevangenis van Antwerpen. Doordat een structurele oplossing voor de problematiek van overbevolking en personeelstekort uitblijft, is het te verwachten dat dergelijke zorgelijke incidenten zullen toenemen.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht de beslissing over de overlevering conform
artikel 11 lid 2 OLW aan te houden totdat bij wijziging van omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden uitgesloten.
Standpunt van de officier van justitie
Er zijn al langere tijd zorgen over de detentieomstandigheden in België en dat is juist de reden dat er om een individuele garantie wordt verzocht. De officier van justitie beaamt dat recent een afschuwelijk incident heeft plaatsgevonden in de detentie-instelling van Antwerpen, maar dat de door de Belgische autoriteiten afgegeven detentiegarantie nog altijd afdoende is om het gevaar voor vernederende of onmenselijke behandeling voor de opgeëiste persoon weg te nemen.
Oordeel van de rechtbank
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat er op dit moment voor alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet (ECLI:NL:RBAMS:2022:7536).
Bij brief van 6 maart 2024 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:
1In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon]
zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar
[opgeëiste persoon]
aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m 2 individuele levensruimte.
Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m 2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen (België) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C.A. van Dijk, voorzitter,
mrs. A.W.T. Klappe en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 april 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Rb. Amsterdam 28 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1821 (nog te publiceren op rechtspraak.nl).
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.