Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-03-07
ECLI:NL:RBAMS:2024:2676
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,455 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/327929-23 (EAB 7)
Datum uitspraak: 7 maart 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 22 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 juni 2023 door de het ressortsparket in Florence (Italië) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedag] 1977,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting 13 februari 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman,
mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam en door een tolk in de Albanese taal. Het onderzoek ter zitting is geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen over artikel 12 OLW voor te leggen aan de Italiaanse autoriteiten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Zitting 28 februari 2024
De behandeling van het EAB is voortgezet en heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van
mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Sönmez en door een tolk in de Albanese taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Albanese nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Tegen de opgeëiste persoon zijn zeven EAB’s uitgevaardigd. Dit EAB vermeldt
- een vonnis van de Rechtbank van Pisa 7.3.2013. Referentienummer: nr. 556/2013 Sent.- nr.1553/12 RGTrib. – nr 5332/2010 RGNR
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden (vonnis), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde beslissing en het vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de officier van justitie in Florence een Besluit van 29 november 2017 met referentie nr. 577/2017 SIEP tot samenvoeging van concurrerende sancties heeft genomen (hierna: het samenvoegingsbesluit), waarvoor nog een straf van 30 jaar uitgezeten zou moeten worden.
4De weigeringsgrond van artikel 12 OLW
Ten aanzien van het vonnis van de Rechtbank in Pisa van 7 maart 2013
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet voldoende heeft kunnen uitoefenen. De vragen die door de rechtbank op 13 februari 2024 gesteld zijn, worden niet beantwoord, waarbij hij met name gewezen heeft op de vragen onder punt 3 b. i, ii en iii. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon een raadsman heeft gemachtigd om voor hem op te treden. De opgeëiste persoon heeft steeds verklaard dat hij in het geheel niet op de hoogte was van de veroordelingen in Italië, laat staan dat hij een advocaat had aangesteld. Hij is zelf sinds 2000 niet meer in Italië geweest. Hij heeft dan ook op geen enkele wijze zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen. Zonder verzetgarantie, die niet verstrekt is, kan de opgeëiste persoon niet overgeleverd worden. De overlevering moet worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangegeven dat er niet van uitgegaan kan worden dat in dit geval een advocaat gemachtigd is geweest om de verdediging te voeren. In de aanvullende informatie is immers niet aangegeven dat er sprake was van een trusted lawyer, maar van een advocaat die door de staat is aangewezen. Ook is er niet aangegeven dat de opgeëiste persoon nog de mogelijkheid heeft verzet aan te tekenen. Gezien deze omstandigheden dient de overlevering te worden geweigerd, nu niet vast staat dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Ook is er geen reden af te zien van deze weigeringsgrond.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft op 13 februari 2024 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht ten aanzien van elk vonnis dat in EAB 1 tot en met EAB 7 wordt genoemd, onderdeel d) van het EAB formulier in te vullen nu dit in de EAB’s zelf niet was gebeurd, terwijl wel (steeds) was aangegeven dat de opgeëiste persoon niet in persoon verschenen was op het proces dat geleid had tot de beslissing. Tevens is verzocht in de gevallen waarin was aangegeven dat de opgeëiste persoon in het proces werd bijgestaan door een advocaat, specifiek te antwoorden op de vraag of hij deze advocaat had gemachtigd om hem ter zitting te verdedigen. De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat zij het daarbij niet van belang acht of de opgeëiste persoon de advocaat had gekozen of dat deze hem ex officio was toegewezen.
In het onderhavige geval is naar aanleiding van deze vragen door de uitvaardigende justitiële autoriteit onderdeel d) ingevuld: er is een kruisje gezet bij onderdeel 3.2 waarin staat:
Being aware of the scheduled trial, the person had given mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial and was indeed defended by that counsellor at the trial.
De vraag die gesteld is of de opgeëiste persoon de advocaat had gemachtigd, is niet beantwoord. In de aanvullende informatie van 22 februari 2024 wordt als antwoord op de vragen hieromtrent slechts opgemerkt dat de opgeëiste persoon het recht had een advocaat te kiezen, bij gebreke waarvan de Italiaanse wet voorziet in het aanstellen van een advocaat door de Staat. De rechtbank heeft reden te twijfelen of in dit geval door de opgeëiste persoon een machtiging was gegeven aan zijn advocaat (hoewel het kruisje is gezet als hiervoor aangegeven) nu in het EAB zelf en in eerdere aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 6 februari 2024 slechts wordt aangegeven dat er een advocaat was, wat haar naam was (Roberta Signorini) en dat dit een public defender was. In het licht van deze omstandigheden is de rechtbank – met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12 onder b OLW. Ook is niet aangevoerd nog gebleken dat er sprake is van een van andere situaties als bedoeld in artikel 12 OLW (onder a en c) en evenmin is een verzetgarantie afgegeven als bedoeld in artikel 12 onder d OLW. Tenslotte zijn er geen omstandigheden aangevoerd nog gebleken die maken dat dient te worden afgezien van weigering.
Naar het oordeel van de rechtbank maken voornoemde omstandigheden dat het toestaan van de overlevering schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.
De overlevering wordt daarom geweigerd.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
De rechtbank merkt op dat het aan de Italiaanse autoriteiten is, met inachtneming van het specialiteitsbeginsel, te beslissen over aanpassing van het samenvoegingsbesluit met inachtneming van deze uitspraak en de uitspraken in EAB 2 (parketnummer 13-301872-23), EAB 6 (parketnummer 13-327917-23) en EAB 7 (parketnummer 13-327929-23).
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het ressortsparket in Florence (Italië) voor de tenuitvoerlegging van de straf die is opgelegd bij het vonnis van de Rechtbank van Pisa 7.3.2013, Referentienummer: nr. 556/2013 Sent.- nr.1553/12 RGTrib. – nr 5332/2010 RGNR.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,
mrs. G.M. Beunk en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 maart 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.