Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-30
ECLI:NL:RBAMS:2024:2458
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,304 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/073610-24 (EAB1)
Datum uitspraak: 30 april 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 4 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 maart 2013 door the Circuit Court in Katowice in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in Polen op [geboortedag] 1975,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats detentie] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 april 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.P.D. Visser, advocaat te Leiden, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Uit het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 maart 2024 blijkt dat aan het EAB ten grondslag liggen een judgment of the Circuit Court in Katowice van 21 april 2009, met kenmerk VK 42/08, en het daarop in hoger beroep gevolgde judgment of the Court of Appeal in Katowice, met kenmerk AKa 257/09, waarmee het vonnis in eerste aanleg is bekrachtigd.
De genoemde aanvullende informatie bevat de mededeling dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft erop gewezen dat onderdeel c) vermeldt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg is vertegenwoordigd door zijn raadsman, terwijl de opgeëiste persoon stelt niet te zijn bijgestaan door een advocaat. De raadsman vindt de aanvullende informatie verwarrend en acht aanhouding van de zaak noodzakelijk ten behoeve van het verkrijgen van nadere informatie op dit punt.
De rechtbank ziet geen aanleiding de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen op dit punt. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de aanvullende informatie van 19 maart 2024 immers vermeld dat de opgeëiste persoon zowel in eerste aanleg als in hoger beroep op de terechtzitting aanwezig was. Door of namens de opgeëiste persoon is niet betoogd dat die informatie niet juist is. Nu de opgeëiste persoon in elk geval zelf bij de beide procedures aanwezig is geweest, is reeds hierom de in artikel 12 OLW bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis en arrest betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon reeds gedurende 14 jaar in Nederland verblijft. Hij heeft zich niet kunnen inschrijven, omdat sprake was van een onderhuursituatie. Uit de Informatiestaat SKDB blijkt dat hij zich al op 11 april 2013 in Nederland heeft laten registeren. De raadsman heeft op 11 april jl. een bericht van de belastingdienst betreffende een sofinummer en kopieën van bankpassen van de opgeëiste persoon ingebracht. De raadsman heeft in relatie tot de stukken gesteld dat de opgeëiste persoon in Nederland veel heeft gewerkt, meer dan 50 procent van de bijstandsnorm heeft verdiend en ruim 40 procent van de arbeidstijd heeft gewerkt. Het is de verdediging niet gelukt om stukken ter onderbouwing hiervan te verzamelen. Bij de belastingdienst zijn geen inkomensgegevens van hem bekend, maar ‘zwarte’ inkomsten, dus inkomsten waarover geen premies en belastingen zijn betaald, tellen ook mee, en vanwege zijn detentie heeft hij geen verklaringen van werkgevers kunnen verzamelen. De raadsman heeft om aanhouding van de behandeling verzocht teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen alsnog stukken te kunnen verzamelen ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt de door de verdediging ingezonden stukken onvoldoende voor gelijkstelling met een Nederlander. Hij is van mening dat geen sprake is van een begin van onderbouwing en verwacht ook dat een nadere onderbouwing niet zal volgen. Aangezien de opgeëiste persoon voldoende tijd heeft gehad om de benodigde stukken te verzamelen, verzet hij zich tegen aanhouding van de behandeling van de vordering.
Beoordeling
De rechtbank ziet geen aanleiding de behandeling van de vordering aan te houden om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen stukken te verzamelen ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer. Hij heeft daarvoor voldoende tijd gehad en de rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat er nog geen begin van een onderbouwing is. Nu de opgeëiste persoon niet tijdig stukken aan de rechtbank heeft doen toekomen waaruit een ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaren in Nederland blijkt, voldoet hij niet aan de eerste voorwaarde en komt hij niet in aanmerking voor gelijkstelling met een Nederlander.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Katowice (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. P. Sloot en M.C. Danel, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 april 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.