Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-03-21
ECLI:NL:RBAMS:2024:2437
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,065 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/746709 / KG ZA 24-132 MDvH/MvG
Vonnis in incident in kort geding van 21 maart 2024
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
SOULI VASTGOED B.V.,
gevestigd te Schiedam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
KORVER VASTGOED MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Spijkenisse,
eiseressen bij dagvaarding van 29 februari 2024,
verweersters in het incident,
advocaat mr. D.A. Evertsz te Rotterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats 1] ,
gedaagde,
niet verschenen,
en de partij die heeft verzocht te worden toegelaten als gevoegde partij, dan wel als tussenkomende partij
[eiseres i.h. incident]
,
wonende te [woonplaats 2] ,
eiser in het incident,
advocaat mr. K.M.J. Wartena.
Partijen zullen hierna Souli Vastgoed, Korver Vastgoed, [gedaagde] en [eiseres i.h. incident] worden genoemd.
Procesverloop
1.1.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 13 maart 2024 heeft [eiseres i.h. incident] een incidentele conclusie ingediend waarin hij vordert te worden toegelaten als voegende partij aan de zijde van [gedaagde] dan wel als tussenkomende partij. Dit verzoek is ter zitting behandeld. Vonnis in incident is bepaald op heden.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
- aan de zijde van eiseressen: [naam] , bestuurder en enig aandeelhouder van Souli Vastgoed, met mr. Evertsz;
- [eiseres i.h. incident] met mr. Wartena.
[gedaagde] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen en heeft zich ook niet door een advocaat laten vertegenwoordigen.
Geschil
in de hoofdzaak
2.1.
Korver Vastgoed vordert, samengevat en na vermeerdering van eis, [gedaagde] te verbieden de garage aan de [adres] aan een derde te verkopen en te gebieden dat hij deze garage, op straffe van een dwangsom, aan Korver Vastgoed moet leveren met bepaling dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring van [gedaagde] die vereist is voor de levering van de garage. Verder vordert Korver Vastgoed [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een contractuele boete, buitengerechtelijke incassokosten en twee keer de proceskosten conform het liquidatietarief.
2.2.
Souli Vastgoed vordert, samengevat en na vermeerdering van eis, [gedaagde] te veroordelen medewerking te verlenen om de met Korver Vastgoed gesloten koopovereenkomst terzake de garage gestand te doen, op straffe van een dwangsom. Verder vordert Souli Vastgoed [gedaagde] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en twee keer de proceskosten conform het liquidatietarief.
in het incident
2.3.
[eiseres i.h. incident] vordert in de procedure te worden toegelaten als voegende partij aan de zijde van [gedaagde] dan wel als tussenkomende partij.
Beoordeling
3.1.
Een vordering tot voeging op grond van artikel 217 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is toewijsbaar als de zich voegende partij een voldoende belang heeft. Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de interveniënt zich voegt.
3.2.
Bij een vordering tot tussenkomst geldt als uitgangspunt dat een partij kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wil instellen en daarmee voldoende belang heeft zich te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in het hoofdgeding kan ondervinden.
3.3.
Dat [gedaagde] niet in het geding is verschenen, staat niet aan de behandeling van de vordering in het incident in de weg. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019 (ECLI:NL:HR:2019:791) en de daarbij behorende conclusie van de Advocaat-Generaal (ECLI:NL:PHR:2019:249) volgt dat voeging of tussenkomst ook mogelijk is in het geval dat de gedaagde partij niet in de procedure is verschenen.
3.4.
Souli Vastgoed en Korver Vastgoed hebben ter zitting desgevraagd verklaard zich niet te verzetten tegen de vordering in incident van [eiseres i.h. incident] . Aldus wordt ervan uitgegaan dat zij zich refereren aan het oordeel van de voorzieningenrechter.
3.5.
Geoordeeld wordt dat [eiseres i.h. incident] als tussenkomende partij tot de procedure wordt toegelaten. Daarvoor is het volgende redengevend.
3.6.
[gedaagde] is eigenaar van de garage aan de [adres] . [gedaagde] heeft met zowel Korver Vastgoed als met [eiseres i.h. incident] een koopovereenkomst gesloten voor de verkoop van deze garage. Zowel Korver Vastgoed als [eiseres i.h. incident] vorderen dat [gedaagde] de garage aan hen moet leveren.
3.7.
[eiseres i.h. incident] wenst aldus een eigen vordering in te stellen. Omdat [gedaagde] de garage maar aan één partij kan leveren, heeft [eiseres i.h. incident] voldoende belang zich te mengen in de het kort geding tussen Souli Vastgoed en Korver Vastgoed enerzijds en [gedaagde] anderzijds in verband met de nadelige gevolgen die [eiseres i.h. incident] van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden.
3.8.
Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.
3.9.
In het hierboven genoemde arrest oordeelde de Hoge Raad in r.o. 3.5. dat de rechter die de vordering tot voeging toewijst in een geding waarin de gedaagde niet is verschenen, moet bepalen dat de zich voegende partij de niet verschenen gedaagde van die toelating in kennis stelt. Aangenomen wordt dat dit in het geval van tussenkomst niet anders is. Bepaald wordt dat [eiseres i.h. incident] [gedaagde] van de tussenkomst in kennis stelt, op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
3.10.
Geoordeeld wordt dat in het door [eiseres i.h. incident] ingestelde incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij kan worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.11.
Zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, zal de griffier [gedaagde] ook een brief sturen om hem erop te wijzen dat de zaak op 3 april 2024 (opnieuw) inhoudelijk zal worden behandeld en hem duidelijk te maken dat het in zijn belang is daar (met of vertegenwoordigd door een advocaat) aanwezig te zijn en zijn verhaal te doen.
Dictum
De voorzieningenrechter
in het incident
4.1.
staat toe dat [eiseres i.h. incident] tussenkomt in het kort geding tussen Souli Vastgoed en Korver Vastgoed tegen [gedaagde] ,
4.2.
draagt [eiseres i.h. incident] op dit vonnis binnen zeven dagen na heden aan [gedaagde] te laten betekenen,
4.3.
compenseert de kosten van het incident, in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen,
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet op 3 april 2024 te 11.00 uur,
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2024.
type: MvG
coll: JT