Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-01-17
ECLI:NL:RBAMS:2024:220
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,387 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/284320-23
Datum uitspraak: 17 januari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 3 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2016 door het Parket-Generaal bij het hof van Beroep Antwerpen (België) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in ' [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 januari 2024, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.J. Teeuwen, advocaat in Amsterdam, die waarneemt voor haar kantoorgenoot, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest hof van beroep Antwerpen van 5 november 2015- 13de kamer, referentie: 2010/PGA/1385 (Griffienummer C/1425/15).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zeven jaar. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2555 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is omdat er een gemachtigd advocaat was.
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank overweegt dat als een strafprocedure meer instanties heeft omvat en tot opeenvolgende beslissingen heeft geleid, dat dan de laatste van die beslissingen relevant is voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover bij die laatste beslissing definitief uitspraak is gedaan over de schuld van de betrokkene en aan hem een straf is opgelegd, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld.
Uit het EAB blijkt dat de zaak in hoger beroep ten gronde is behandeld. Daarom toetst de rechtbank alleen het proces in hoger beroep aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid als in artikel 12, sub b, OLW heeft voorgedaan. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 13 december 2023 en 18 december 2023 volgt dat de opgeëiste persoon een mandaat aan zijn advocaat had gegeven die hem daadwerkelijk heeft verdedigd, en dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft overigens bij het verhoor door de officier van justitie en ter zitting verklaard dat hij een Belgische advocaat had. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder nummers 1 en 5, te weten:
1) deelneming aan een criminele organisatie;
5) illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht af te zien van de weigeringsgrond van artikel 6a OLW, die van toepassing is in verband met de Nederlandse nationaliteit van de opgeëiste persoon. Zij heeft in dat verband aangevoerd dat de opgeëiste persoon zijn gevangenisstraf in België wil uitzitten vanwege de kortere afstand van de gevangenis in België naar de woonplaats van de opgeëiste persoon en vanwege de gunstiger regeling in België omtrent de voorwaardelijke invrijheidsstelling.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om de weigeringsgrond in dit geval niet toe te passen. De rechtbank stelt voorop dat aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is, zodat toepassing van een facultatieve weigeringsgrond de uitzondering dient te zijn. Artikel 6a OLW betreft een dergelijke facultatieve weigeringsgrond. De overlevering ziet op een straf die in België is opgelegd en die, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in beginsel in België ten uitvoer moet worden gelegd. Daarbij heeft de opgeëiste persoon uitdrukkelijk de wens geuit zijn straf in België uit te willen zitten. De rechtbank is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW niet in de weg staat aan overlevering aan België.
6Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat op dit moment voor alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet.
Bij brief van 12 december 2023 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:
1In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parket-Generaal bij het hof van Beroep Antwerpen (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. H.P. Kijlstra en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 januari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU, 10 augustus 2017, C-270/17 PPU (Tupikas), ECLI:EU:C:2017:628.
Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536
HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.