Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:2164
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,163 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.104172.21
Datum uitspraak: 4 april 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende op het adres [adres].
1Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 maart 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kristic, en van wat de raadsman, mr. T.P.A.M. Wouters, naar voren heeft gebracht. Verdachte was zelf niet op de zitting aanwezig.
2Tenlastelegging
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (schuld)witwassen van geldbedragen van in totaal € 20.000,-.
De tenlastelegging is op de zitting van 21 maart 2024 gewijzigd. De volledige tekst van de uiteindelijke tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.
De tenlastegelegde periode eindigt op ‘heden’. De rechtbank begrijpt dit zo dat de periode eindigt op 3 augustus 2021, te weten de dag waarop verdachte in dit onderzoek is aangehouden.
3Vordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte schuldwitwassen wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en een geldboete van € 10.000,-.
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken, omdat niet is bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren.
4Vrijspraak
De rechtbank vindt niet bewezen verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat verdachte moet worden vrijgesproken. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang.
De rechtbank kan op basis van het dossier vaststellen dat op 2 juli 2020 op de bankrekening van [naam holding]. een bedrag van € 34.901,- wordt bijgeschreven. Dit betreft een voorschot in verband met een tegemoetkoming in het kader van een coronasteunmaatregel (Noodmaatregel Overbrugging van Werkgelegenheid; NOW). Dit geldbedrag is uit misdrijf afkomstig, omdat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) door oplichting is bewogen tot de afgifte van dit voorschot. Nadat dit geldbedrag is bijgeschreven wordt in Amsterdam 3x € 2.000,- (€ 6.000,-) contant opgenomen en in Amstelveen 2x € 2.000,- (€ 4.000,-). Daarnaast wordt op 2 juli 2020 een geldbedrag van € 24.900,- overgemaakt naar de bankrekening van [persoon] en hiervan wordt € 24.000,- doorgeboekt naar de bankrekening van [naam bedrijf BV] Vervolgens wordt vanaf de bankrekening van [naam bedrijf BV] in Amstelveen 5x € 2.000,- (€ 10.000,-) contant opgenomen.
Op basis van het dossier en de schriftelijke verklaring van verdachte kan de rechtbank vaststellen dat het verdachte is geweest die de contante geldbedragen van in totaal € 20.000,- heeft opgenomen.
Voor de beantwoording van de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (schuld)witwassen dient komen vast te staan dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de door hem contant opgenomen geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren. Verdachte ontkent dat hij hiervan op de hoogte was en heeft gesteld dat hij op verzoek van zijn broer en een vriend deze geldbedragen heeft gepind en dat hij het contante geld vervolgens aan zijn broer respectievelijk die vriend heeft gegeven. Tegen deze achtergrond bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat verdachte wel op de hoogte was van de criminele herkomst van het geld of dat er redenen waren dat hij dit redelijkerwijs moest vermoeden.
Dictum
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Eichperger, voorzitter,
mrs. C.A.E. Wijnker en B. Kuppens, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 april 2024.
[...]