Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-03-21
ECLI:NL:RBAMS:2024:2142
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,349 tokens
Inleiding
RECHTBANK Amsterdam
Afdeling Privaatrecht
zaak- en rolnummer: 9257876 EL 21-119
vonnis van: 21 maart 2024
Vonnis van de kantonrechter:
i n z a k e
1 [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers,
nader te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk,
t e g e n
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
verder te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
1De verdere procedure
1.1.
Het verloop van de verdere procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 augustus 2023;
- de akte van Dexia van 7 september 2023;
- de rolbeslissing van 5 oktober 2023;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 22 januari 2024.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
Ontvankelijkheid [eiser 2] en [eiser 1]
2.1.
In het voornoemde tussenvonnis is geoordeeld dat vaststaat tussen partijen dat [eiser 1] de vaststellingsovereenkomst (het zogenoemde Dexia-aanbod) heeft ondertekend. Vervolgens is Dexia in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de andere handtekening op de vaststellingsovereenkomst is geplaatst door [eiser 2] .
2.2.
Dexia heeft daarop aangeboden [eiser 1] en [eiser 2] als getuigen te horen.
2.3.
Op 22 januari 2024 heeft de kantonrechter [eiser 1] en [eiser 2] als getuigen gehoord. [eiser 1] heeft verklaard dat één van de handtekeningen onder de vaststellingsovereenkomst van hem is. Hij weet niet van wie de andere handtekening is. [eiser 2] heeft verklaard dat zij één van de handtekeningen herkent als de handtekening van [eiser 1] . De andere handtekening herkent zij niet. Die is in ieder geval niet van haar.
2.4.
De kantonrechter overweegt dat, zoals hiervoor ook al overwogen en tijdens het getuigenverhoor is bevestigd, vaststaat dat [eiser 1] de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend. Dit betekent dat hij afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht. Hij dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen.
2.5.
Gelet op de verklaringen van [eiser 1] en [eiser 2] is niet vast te stellen dat [eiser 2] de vaststellingsovereenkomst mede heeft ondertekend. Dexia is dan ook niet geslaagd in het leveren van het gevraagde bewijs.
2.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser 1] door ondertekening van de vaststellingsovereenkomst het vorderingsrecht van [eiser 2] niet heeft kunnen aantasten. [eiser 2] heeft dan ook geen belang bij de door haar gevorderde verklaring voor recht. Deze wordt afgewezen.
2.7.
Nu niet kan worden vastgesteld dat [eiser 2] afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht, is zij ontvankelijk in haar resterende vordering.
Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW
2.8.
Er is sprake van huurkoop. Dit betekent dat [eiser 1] voor het aangaan van elke overeenkomst de schriftelijke toestemming van [eiser 2] behoefde (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3868). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [eiser 2] de bevoegdheid een beroep te doen op de vernietigbaarheid als bedoeld in artikel 1:88 en 1:89 BW.
Beroep Dexia op verjaring vordering uit onverschuldigde betaling
2.9.
Dexia stelt dat de door [eiser 2] ingestelde vordering uit onverschuldigde betaling is verjaard, dat de gemachtigde van [eiser 2] (hierna Leaseproces) niet gevolmachtigd was om namens [eiser 2] enige verjaring te stuiten en dat niet (voldoende tijdig) een door [eiser 2] aan Leaseproces verleende volmacht voor het verrichten van een stuitingshandeling is overgelegd nadat Dexia de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Leaseproces uitdrukkelijk had bestreden.
2.10.
[eiser 2] heeft bovengenoemde stellingen van Dexia gemotiveerd betwist. [eiser 2] verwijst daarbij naar de brieven van Leaseproces van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 (zie productie 8 bij conclusie van repliek na voeging en tussenkomst) voor al haar cliënten (waaronder [eiser 1] ) en de eega’s van de betreffende cliënten, waarmee de verjaring van al hun rechten ten aanzien van al hun vorderingen jegens Dexia zijn gestuit. Daarnaast wijst zij op de opt-out in februari 2007 die ook namens [eiser 2] is verzonden.
2.11.
Niet is door Dexia betwist dat de opt-out ook namens [eiser 2] is verzonden. Dexia was er vanaf dat moment van op de hoogte dat de gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] zich presenteerde als gevolmachtigde van [eiser 1] en [eiser 2] . Uit de inhoud van de brief van 24 januari 2012 volgt dat deze eveneens namens [eiser 2] is verzonden. Op grond van artikel 3:71 lid 1 BW kunnen verklaringen, door een gevolmachtigde afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in deze bepaling omschreven wijze wordt geleverd. Gesteld noch gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de opt-out of de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat [eiser 1] als cliënt van Leaseproces haar heeft gevolmachtigd om namens hem de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens zijn eega, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, te doen, zodat ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens [eiser 2] is verzonden. De stuitingsbrief van 27 oktober 2016 bouwt hierop voort. De betwisting van de volmacht van [eiser 2] aan Leaseproces, zoals volgens Dexia vervat in haar brief van 31 oktober 2016, hetgeen Leaseproces betwist, doet derhalve niet meer ter zake, want hiermee is door Dexia sowieso niet terstond, namelijk onmiddellijk na ontvangst van de opt-out en de brief van 24 januari 2012, om bewijs van haar volmacht gevraagd. Daarna kan op artikel 3:71 lid 1 BW geen beroep meer worden gedaan, nu gesteld noch gebleken is dat [eiser 2] op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd.
2.12.
Voorts is als gevolg van de op het moment van vernietiging van de leaseovereenkomst door [eiser 2] (20 juli 2006) reeds aanhangige collectieve procedure de verjaring van de restitutievordering gestuit en wel tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard (zie Hoge Raad 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936). Uit het vorenstaande volgt dat de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling tijdig is gestuit en dat het verjaringsverweer van Dexia moet worden verworpen.
De vernietiging ex artikel 1:88/89 BW
2.13.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2015 (JOR 2015/337 m.nt. mr. T.M.C. Arons, ECLI:NL:HR:2015:3018) beslist dat de stuitende werking op de voet van artikel 3:316 lid 1 BW van een collectieve vordering in de zin van artikel 3:305a BW zich uitstrekt tot de verjaring van een op die collectieve actie, ingesteld op 13 maart 2003, aansluitende, individuele vordering tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens artikel 1:89 BW en dat dit ingevolge het bepaalde in artikel 3:52 lid 2 BW ertoe leidt dat ook de verjaring van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging wordt gestuit.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
verklaart [eiser 1] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.
3.2.
verklaart voor recht dat de overeenkomst met nummer [nummer] is vernietigd,
3.3.
veroordeelt Dexia om aan [eiser 2] ter zake de overeenkomst te betalen hetgeen Dexia op grond van de hiervoor in rov. 2.16. bedoelde berekening verschuldigd is,
3.4.
veroordeelt Dexia om aan [eiser 2] te betalen de wettelijke rente die Dexia verschuldigd is ter zake de hiervoor genoemde overeenkomst op grond van hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 2.18. en 2.19.,
3.5.
compenseert de proceskosten, zodanig dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft,
3.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. C.L.J.M. de Waal op 21 maart 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
coll: BF