Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-11
ECLI:NL:RBAMS:2024:2084
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,788 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-255077-23
Datum uitspraak: 11 april 2024
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van 12 februari 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2023 door de Sąd Okręgowy (Circuit Court) Warszawa-Praga in Warsaw, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 maart 2024, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. P.A. Groenhuis, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgment of Sąd Rejonowy (District Court) in Legionowo of 11 October 2021, met referentie II K 779/20.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 364 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon wel op zitting is vertegenwoordigd door een raadsman, maar deze door de opgeëiste persoon niet voor deze strafzaak was gemachtigd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet ter discussie staat of de raadsman was gemachtigd, dat een situatie zoals bedoeld in artikel 12, a t/m d, OLW niet van toepassing is, en de overlevering in beginsel zou kunnen worden geweigerd. De officier van justitie heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat van deze weigeringsgrond moet worden afgezien, nu de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen, en het voor rekening van de opgeëiste persoon komt dat hij zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen.
Beoordeling
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
In de aanvullende informatie van 19 maart 2024 van de Poolse autoriteiten is opgenomen dat de beslissing van 22 september 2022 van de Circuit Court Warszawa Praga in Warsaw, VI Criminal Appellate Division, met kenmerk VI Ka 1305/21 de beslissing in eerste aanleg heeft bevestigd zodat de rechtbank de beslissing in hoger beroep aan artikel 12 OLW zal toetsen.
De rechtbank stelt met de officier van justitie vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
In de aanvullende informatie van 19 maart 2024 van de justitiële autoriteit is vermeld dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gehad en dat deze instructie van toepassing is op alle ‘criminal proceedings’ inclusief de procedure in hoger beroep. De rechtbank kan echter niet vaststellen of dit ook voor de opgeëiste persoon kenbaar moet zijn geweest.
De rechtbank heeft daarom behoefte aan aanvullende informatie van de justitiële autoriteit. Om die reden zal zij het onderzoek ter zitting heropenen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Poolse autoriteiten de aanvullende vraag te stellen of het de opgeëiste persoon is medegedeeld dat de adresinstructie zich ook uitstrekte over de procedure in hoger beroep.
Dictum
De rechtbank
HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing van de behandeling ter zitting tot een nader te bepalen dag en tijd;
BEPAALT dat de zaak uiterlijk 2 mei 2024 weer op zitting moet worden gepland;
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen voornoemd tijdstip;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 april 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.