Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-01-12
ECLI:NL:RBAMS:2024:2013
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,685 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
Zaaknummer en rolnummer: 10642265 / CV EXPL 23-10758
Uitspraak: 12 januari 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
Merfat B.V. (h.o.d.n. Amore Mio),
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Merfat,
gemachtigde mr. J. Ruijs.
Procesverloop
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 21 juli 2023, met producties,
de conclusie van antwoord,
het tussenvonnis van 20 oktober 2023, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2. Op 5 december 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [eiser] is verschenen de bestuurder, de heer [naam 1] , bijgestaan door mr. C.H. Hakvoort. Namens Merfat is verschenen de heer [naam 2] , werknemer bij Merfat, schriftelijk gevolmachtigd om het woord te voeren, bijgestaan door mr. J. Ruijs. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling zijn in het dossier gevoegd. Ten slotte is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING
2Samenvatting
2.1.
Deze zaak gaat over de vraag of Merfat de openstaande facturen aan [eiser] moet betalen. [eiser] stelt dat Merfat meerdere malen vlees bij haar heeft besteld en dat zij deze bestellingen aan Merfat heeft geleverd. Merfat heeft de facturen echter niet betaald. Merfat stelt dat alles dat door [eiser] geleverd is, ook betaald is. De kantonrechter komt tot de conclusie dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. Hoe zij tot dit oordeel komt, wordt onder de beoordeling uitgelegd.
3Vordering en verweer
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Merfat veroordeelt tot betaling van:
a. € 17.250,46 aan hoofdsom;
b. € 947,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
c. € 6.621,80 aan rente, berekend tot 18 juli 2023;
d. de wettelijke handelsrente over € 17.250,46 vanaf 18 juli 2023 tot aan de dag van volledige betaling;
e. de proces- en nakosten.
3.2.
[eiser] vordert betaling van zestien facturen met een totaalbedrag van
€ 17.250,46. De facturen zien op de periode van 14 september 2018 tot en met 1 augustus 2019. [eiser] stelt dat tussen [eiser] en Merfat een overeenkomst tot verkoop en levering van vlees bestond. [eiser] heeft het door Merfat bestelde vlees aan Merfat geleverd, maar Merfat heeft de facturen niet betaald. Bij brieven van 4 juli, 20 en 30 september 2022 heeft de gemachtigde van [eiser] Merfat gesommeerd om onder andere deze openstaande facturen te betalen, maar Merfat heeft niet betaald.
3.3.
Merfat voert verweer tegen de vordering. Merfat betwist dat er facturen open staan. Zij voert aan dat zij het door haar bestelde en aan haar geleverde vlees heeft betaald aan [eiser] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[eiser] baseert haar vordering op een overeenkomst die volgens haar tussen haar en Merfat bestaat. Volgens de hoofdregel van het bewijsrecht is het aan [eiser] om voldoende gemotiveerd te stellen en bij betwisting te onderbouwen waaruit het bestaan van deze overeenkomst blijkt (artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dat heeft [eiser] niet voldoende gedaan. [eiser] heeft haar stelling alleen onderbouwd met de zestien facturen die zij heeft overgelegd. Een factuur schept alleen geen betalingsverplichting. Over de onderliggende afspraken is niets in het geding gebracht.
4.2.
Op de zitting heeft [eiser] nog wel genoemd dat hij misschien navraag kan doen bij de chauffeurs, of GPS gegevens kan opzoeken van de wagens die de bestellingen afleverden. Ook noemt hij mogelijke kwitanties die de chauffeurs zouden aftekenen. Dit blijft allemaal erg algemeen en komt te laat. Vooral, omdat Merfat op 6 juli 2022 en 7 oktober 2022 (productie 2 bij dagvaarding) de vordering van [eiser] heeft betwist. Gelet op de discussie over deze (oude) facturen mocht van [eiser] verwacht worden dat zij haar vordering in de dagvaarding voldoende gemotiveerd en concreet had onderbouwd. Aangezien [eiser] dit alles heeft nagelaten, moet de vordering van [eiser] worden afgewezen.
Proceskosten
4.3.
[eiser] is de partij die ongelijk krijgt. Zij wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten van Merfat als volgt vastgesteld:
- salaris advocaat
€
1.058,00
(2 punten × tarief € 529,00)
- nakosten
€
132,00
Totaal
€
1.190,00
Dictum
De kantonrechter:
I. wijst het gevorderde af;
II. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Merfat tot op heden begroot op € 1.190,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen;
III. verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mr. R.C.J. Hamming, kantonrechter, bijgestaan door mr. M. Sahin, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2024.
De griffier De kantonrechter