Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-04-03
ECLI:NL:RBAMS:2024:1887
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,398 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 23/7107 en AMS 24/74
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO), uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
De Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. G.H. van den Borne).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen die eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 21 augustus 2023 tegen het eerste deelbesluit van 20 juli 2023 (AMS 23/7107) en op het bezwaar van 3 oktober 2023, gericht tegen het tweede en laatste deelbesluit van 31 augustus 2023 (AMS 24/74).
1.1.
Omdat het beroep inzake AMS 23/7107 kennelijk gegrond is en het beroep inzake AMS 24/74 kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?
3. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 21 augustus 2023. Verweerder heeft eiseres te kennen gegeven dat het bezwaar tevens zal zijn gericht tegen het tweede deelbesluit. Tevens is eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na ontvangst van het tweede deelbesluit van nadere gronden te voorzien. Deze aanpak acht de rechtbank correct. Daarmee wordt voorkomen dat bij versnipperde besluitvorming steeds afzonderlijk tijdig een rechtsmiddel moet worden aangewend. Verweerder is er terecht van uitgegaan dat als tegen een deelbesluit bezwaar is gemaakt, het bezwaar op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking heeft op opvolgende deelbesluiten op hetzelfde verzoek. De omstandigheid dat eiseres het niet eens is met deze aanpak van verweerder leidt niet tot en ander oordeel.
4. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is. Verweerder had dus gerekend vanaf het eerste deelbesluit uiterlijk 12 oktober 2023 op het bezwaar moeten beslissen. Verweerder heeft op 11 oktober 2023 de beslistermijn verlengd met zes weken weken. Verweerder had dus uiterlijk op 23 november 2023 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat de beslistermijn is gaan lopen met ingang van de dag na die waarop het bezwaarschrift tegen het tweede en laatste deelbesluit is verstreken. Dit zou betekenen dat met een deelbesluit de wettelijke besluittermijn voor de rest van het verzoek kan worden omzeild. Eiseres heeft verweerder op 29 november 2023 (aangaande het eerste deelbesluit) in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
5. Op 11 oktober 2023 heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Daarbij is aangegeven dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag van de eventuele hoorzitting. Op 31 oktober 2023 heeft eiseres haar verhinderdata doorgegeven. Vervolgens heeft verweerder eiseres op 3 november 2023 uitgenodigd voor een hoorzitting op 20 november 2023. Desgevraagd heeft verweerder eiseres laten weten dat de opschorting van de beslistermijn is gebaseerd op artikel 7:10, vierde lid, onder c, van de Awb. Bij e-mail van 7 november 2023 laat eiseres verweerder weten dat zij afziet van het recht om te worden gehoord. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de beslistermijn met 27 dagen, (vanaf 11 oktober 2023 tot 7 november 2023) opgeschort is geweest. Het stond verweerder namelijk vrij om eenzijdig een datum vast te stellen waarop eiseres de gelegenheid zou krijgen om te worden gehoord. Zo’n eenzijdige vaststelling past bij de verplichting om binnen de beslistermijn een beslissing op het bezwaar te nemen. Dit betekent dat artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb geen grond biedt voor opschorting in verband met een hoorzitting. Verweerder had dus niet eiseres om verhinderdata hoeven vragen. Dat verweerder daar wel voor gekozen heeft, met als gevolg dat een deel van de beslistermijn ongebruikt verstreken is, komt voor rekening en risico van verweerder. Het beroep van verweerder op rechtsonzekerheid slaagt evenmin. Het systeem binnen welke termijn verweerder een beslissing dient te nemen is duidelijk. Het wel of niet gebruik maken van de gelegenheid om te worden gehoord heeft geen invloed op die termijn. Uit het voorgaande volgt dat de beslistermijn niet is opgeschort en er geen sprake is van een premature ingebrekestelling.
6. Omdat eiseres met het beroep inzake AMS 24/74 niet meer kan bereiken dan wat zij met het beroep inzake AMS 23/7107 kan bereiken, heeft zij geen belang bij dat beroep. Het beroep inzake AMS 24/74 is daarom niet-ontvankelijk.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
7. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De door verweerder bij verweerschriften gevraagde termijnen vallen binnen deze termijn.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
8. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie
9. Het beroep inzake AMS 23/7107 is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 7 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 8 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
9.1.
Omdat het beroep inzake AMS 23/7107 gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
10. Het beroep inzake AMS 24/74 is kennelijk-niet ontvankelijk. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
Inzake 23/7107
verklaart het beroep gegrond;
draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiseres;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;
Inzake 24/74
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr.N. van der Kroft, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Artikel 6:19, eerste lid van de Awb: Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2348 en van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:899.
Dit staat in artikel 7:10 en 7:13 van de Awb.
Zie de hier voor aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2348.
Artikel 7:10, vierde lid aanhef en onder c van de Awb: Verder uitstel is mogelijk voor zover dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:57.