Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-01-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:165
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,429 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.036691-23 (EAB I)
Datum uitspraak: 4 januari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 2 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2022 door the Regional Court in Rzeszów (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [woonplaats],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 december 2023, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. Tricoli, advocaat te Alphen aan den Rijn, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een joint judgment of the Regional Court in Rzeszów van 16 november 2012, met kenmerk II K 478/12.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 maanden en 18 dagen.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Het verweer van de raadsman dat de resterende straf van 2 maanden en 18 dagen minder is dan de in artikel 2, eerste lid, OLW gestelde minimumeis slaagt niet. De minimumeis in deze bepaling ziet namelijk op de hoogte van de opgelegde straf en niet op het strafrestant.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
In onderdeel d) van het EAB wordt vermeld dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de procedure die tot de beslissing van 16 november 2012 heeft geleid.
Blijkens onderdeel c) van het EAB is de opgeëiste persoon bij beslissing van 21 maart 2014 voorwaardelijk vrijgelaten, met een proeftijd van 3 jaar. Vervolgens is bij beslissing van 18 september 2015 de tenuitvoerlegging bevolen wegens het plegen van nieuwe strafbare feiten.
Uit aanvullende informatie van 14, 17 en 20 november 2023 blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld voor deze nieuwe strafbare feiten in een vonnis van the District Court in Rzeszów van 13 maart 2015 (met kenmerk X K 1287/14). De opgeëiste persoon is op 11 februari 2015 opgeroepen voor deze procedure, en met die oproeping is een adresinstructie en de consequenties van het niet nakomen van zijn rechten en verplichtingen verstrekt.
Standpunt verdediging
Ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot de voorwaardelijke straf (met kenmerk II K 478/12) heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Ten aanzien van de procedure die heeft geleid tot het vonnis van the District Court in Rzeszów van 13 maart 2015 (met kenmerk 1287/14) is de raadsman van mening dat de overlevering geweigerd dient te worden, omdat niet vastgesteld kan worden dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zittingsdatum. Hij was niet bij de zitting aanwezig, is niet in persoon opgeroepen, en heeft geen hoger beroep ingesteld.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering geweigerd dient te worden nu ten aanzien van de veroordeling voor de nieuwe strafbare feiten niet vastgesteld kan worden dat de opgeëiste persoon tijdig een adresinstructie heeft ontvangen. De opgeëiste persoon heeft weliswaar een adres doorgegeven, en de oproepingen zijn naar dit adres verstuurd, maar een adresinstructie heeft pas plaatsgevonden ten tijde van de oproeping. Een verdachte moet op tijd geïnformeerd worden van zijn rechten en verplichtingen en dat is in deze zaak niet gebeurd. Hierdoor is ook geen aanleiding om af te zien van de weigeringsgrond in artikel 12 OLW.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon is verschenen bij de procedure die tot het vonnis van 16 november 2012 van the Regional Court in Rzeszów (met kenmerk II K 478/12) heeft geleid, en dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW dus niet van toepassing is op die procedure.
De opgeëiste persoon is bij beslissing van 21 maart 2014 voorwaardelijk vrijgelaten, waarna de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafrestant is bevolen bij beslissing van
18 september 2015 wegens het gepleegd hebben van een nieuw strafbaar feit. De beslissing tot tenuitvoerlegging van 18 september 2015 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
Ten aanzien van het vonnis van the District Court of Rzeszów van 13 maart 2015 (met kenmerk X K 1287/14) stelt de rechtbank vast dat hier sprake is van een proces waarbij de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Hoewel vastgesteld is dat de oproepingen naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres zijn verstuurd, blijkt uit de aanvullende informatie van 17 november 2023 dat de opgeëiste persoon pas ten tijde van de oproeping een adresinstructie heeft gehad. Uit de aanvullende informatie van 20 november 2023 blijkt weliswaar dat hij eerder op zijn rechten en plichten als verdachte is gewezen, maar niet bekend is of hij toen ook al een adresinstructie heeft ontvangen. Hierdoor is niet duidelijk of de opgeëiste persoon al voorafgaand aan de verzending van de oproeping, en daarmee tijdig wist dat hij een wijziging van zijn adres moest doorgeven aan de Poolse autoriteiten, en dat hij ervan op de hoogte was gesteld wat de gevolgen zouden zijn als hij dat niet zou doen.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Rzeszów (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
HEFT OP het – geschorste – bevel tot gevangenhouding.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B. van Galen en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 januari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).