Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-01-04
ECLI:NL:RBAMS:2024:161
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,480 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.137344-23
Datum uitspraak: 4 januari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 24 mei 2023 door de Rechtbank voor Strafzaken Nr. 2 te Manresa (Spanje) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Libië) op [geboortedag 2] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 december 2023, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Sietsma, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Arabische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De raadsman heeft aangevoerd dat overlevering van de opgeëiste persoon in strijd is met artikel 22 OLW omdat bij de inhoudelijke behandeling de in dat artikel genoemde 60-dagen termijn overschreden is.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het verweer van de raadsman niet slaagt, omdat de OLW niet uitsluit dat de beslistermijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met terugwerkende kracht met 30 dagen verlengd kan worden.
3Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat zijn geboortedatum 14 februari 1987 is, en dat hij in het verleden per abuis [geboortedag 2] 1988 heeft opgegeven bij de Spaanse politie. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens verder juist zijn en dat hij de Libische nationaliteit heeft.
4Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB, gelezen in samenhang met de verkregen aanvullende informatie, vermeldt een vonnis van de Rechtbank voor Strafzaken Nr. 2 in Manresa van 12 juli 2016, met kenmerk 215/2016.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 18 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt verdediging
De raadsman bepleit dat de overlevering geweigerd dient te worden omdat meerdere dingen onduidelijk zijn ten aanzien van de beslissing tot tenuitvoerlegging van de straf. Ten eerste is niet duidelijk of het EAB een vervolgings- of executie-EAB is. Ook is onduidelijk of de tenuitvoerlegging van de straf bevolen is, of daarover een zitting heeft plaatsgevonden en of de opgeëiste persoon daarbij aanwezig is geweest. Er worden meerdere data genoemd in het EAB en het blijkt niet wanneer een dergelijke zitting heeft plaatsgevonden.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie neemt het standpunt in dat de overlevering toegestaan kan worden, omdat de informatie uit het EAB en de aanvullende informatie voldoende duidelijk zijn. In 2016 is een zitting geweest waarbij de opgeëiste persoon veroordeeld is tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij was aanwezig bij deze zitting. Hierna heeft de opgeëiste persoon nieuwe strafbare feiten gepleegd, waarvoor hij in 2018 veroordeeld is. Bij deze procedure was hij ook aanwezig. Dit heeft geleid tot een beoordeling van de opschorting van de voorwaardelijk opgelegde straf. In 2019 is de voorwaardelijke straf omgezet in een onvoorwaardelijke straf.
De opgeëiste persoon is aanwezig geweest bij de procedures die onder de reikwijdte vallen van artikel 12 OLW. Hierom staat de weigeringsgrond in artikel 12 OLW niet in de weg aan overlevering.
Oordeel rechtbank
In onderdeel d) van het EAB wordt vermeld dat de opgeëiste persoon is verschenen bij het proces dat heeft geleid tot het vonnis met kenmerk 215/2016. De weigeringsgrond in artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing ten aanzien van deze procedure.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Blijkens aanvullende informatie is bij beslissing van the Criminal Court No. 2 of Manresa van 7 februari 2019 de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
Uit voormelde aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit volgt dat is besloten tot tenuitvoerlegging van de oorspronkelijk voorwaardelijk opgelegde straf omdat de opgeëiste persoon nieuwe strafbare feiten had gepleegd en als gevolg hiervan op 5 december 2018 door the Criminal Court no. 3 of Manresa (met kenmerk 74/2018) onherroepelijk is veroordeeld.
Ten aanzien van deze procedure vermeldt de aanvullende informatie van 1 december 2023 dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij deze procedure. Hierom staat de weigeringsgrond in artikel 12 OLW niet in de weg aan overlevering.
Dictum
5Strafbaarheid
5.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Spanje een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6Artikel 11 OLW
De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering geweigerd dient te worden om humanitaire redenen. De opgeëiste persoon heeft namelijk een asielprocedure lopen in Nederland en wil in afwachting daarvan in Nederland blijven.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon in Nederland asiel heeft aangevraagd, levert namelijk geen grond op voor weigering van de overlevering .
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank voor Strafzaken Nr. 2 in Manresa (Spanje) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B. van Galen en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 januari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Vergelijk Rb. Amsterdam 20 september 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8113.
Zie onderdeel e) van het EAB.
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)).
HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)), punt 53.
Zie artikel 9, eerste lid en tweede lid, Richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking), 26 juni 2013, PbEU L 180/60, en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 oktober 2010, zaak C-306/09, ECLI:EU:C:2010:626 (I.B.), punt 43