Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-28
ECLI:NL:RBAMS:2024:1132
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
2,355 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.229415-22 (EAB I)
Datum uitspraak: 28 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 20 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juli 2022 door the District Court in Krakow, Third Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
Zitting van 31 januari 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 januari 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.G. Eckhardt, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in gelegenheid te stellen vragen aan de Poolse autoriteiten te stellen over de discrepantie tussen de informatie vermeld in het EAB en de informatie in het door de raadsman overgelegde Poolse vonnis dat ten grondslag ligt aan het EAB, ten aanzien van de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de zitting die heeft geleid tot het vonnis van 4 november 2021 van de Arrondissementsrechtbank te Wielicka.
Zitting van 14 februari 2024
De behandeling van het EAB is hervat op de zitting van 14 februari 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.G. Eckhardt, advocaat in Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een onherroepelijk vonnis van the Regional Court in Wieliczka Second Criminal Division van 4 november 2021, kenmerk: II K 548/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar, 7 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 9 februari 2024 blijkt dat opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de zitting die tot het vonnis heeft geleid, in tegenstelling tot wat in het EAB stond vermeld. De uitvaardigende autoriteit geeft echter geen uitleg over hoe deze discrepantie is ontstaan.
Daarnaast verklaren de Poolse autoriteiten dat de opgeëiste persoon in het kader van het strafproces meerdere keren is verhoord en tijdens deze verhoren een adresinstructie heeft gekregen. De opgeëiste persoon stelt echter dat hij slechts één keer is verhoord en hij geen adresinstructie heeft ontvangen, laat staan heeft ondertekend. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat vanwege de inaccurate informatie van de Poolse autoriteiten niet vaststaat dat de opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ontvangen en dat hij daarmee is geschaad in zijn verdedigingsrechten, als gevolg waarvan de overlevering moet worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit de aanvullende informatie blijkt duidelijk dat de opgeëiste persoon op het moment dat hij is verhoord in het kader van de Poolse strafprocedure een adresinstructie heeft gekregen, waarbij hij ook is gewezen op de consequenties indien hij de adresinstructie niet zou naleven. De opgeëiste persoon is aldus niet geschaad in zijn verdedigingsrechten en daarom kan worden afgezien van de weigeringsgrond in artikel 12 OLW.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB weliswaar vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, maar uit het door de verdediging overgelegde Poolse vonnis en daarna uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende autoriteit van 9 februari 2024 blijkt dat de opgeëiste persoon op geen enkele zitting is verschenen. Evenmin heeft zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden voorgedaan en ook is geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De uitvaardigende autoriteiten hebben aanvankelijk in het EAB aangegeven dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. In de aanvullende informatie van 9 februari 2024 hebben zij verklaard dat de opgeëiste persoon bij geen enkele zitting aanwezig is geweest, zonder daarbij een nadere toelichting te geven over deze discrepantie ondanks dat de rechtbank daarom uitdrukkelijk had gevraagd. In de aanvullende informatie staat vervolgens vermeld dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen, waarbij hij is gewezen op de consequenties van het niet naleven van een dergelijke instructie, te weten dat betekening aan het laatst bekende adres rechtsgeldig is. Noch uit het EAB, noch uit de aanvullende informatie blijkt echter dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk een adres heeft opgegeven en dat de oproep voor de zittingen - in het geval hij wel een adres heeft opgegeven - ook naar dat adres is gestuurd. Daarbij komt nog het volgende. In de aanvullende informatie wordt vermeld dat de opgeëiste personen meerdere keren zou zijn verhoord en dat hem daarbij iedere keer een adresinstructie is gegeven. In dezelfde aanvullende informatie wordt alleen 2 juni 2021 als verhoordatum genoemd. Dit laatste strookt – mede gelet op het feit dat de opgeëiste persoon op geen enkele zitting is verschenen – naar het oordeel van de rechtbank met de verklaring van de opgeëiste persoon dat hij maar één keer is verhoord.
Dit alles in samenhang bezien leidt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven en dat, als hiervan al wordt uitgegaan, niet kan worden vastgesteld dat post van de Poolse justitiële autoriteiten aan dit adres is gezonden.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
5Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 311 en 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
Dictum
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Krakow, Third Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. A.J.R.M. Vermolen en M. Westerman, rechters,
in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.