Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam
2024-02-07
ECLI:NL:RBAMS:2024:1050
Strafrecht; Europees strafrecht
Eerste en enige aanleg
1,820 tokens
Inleiding
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-130268-23
Datum uitspraak: 7 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 8 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 april 2023 door the Circuit Court in Bydgoszcz, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,
opgegeven woonadres: [adres], [plaats],
gedetineerd in de [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 24 januari 2024, in aanwezigheid van mr. S.J. Wirken, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt drie vonnissen van the District Court in Bydgoszcz:
van 13 december 2012, met kenmerk XVI K 245/12, waarbij is opgelegd een straf van 1 jaar, waarvan volgens het EAB een straf resteert van 10 maanden en 9 dagen;
van 14 juni 2010, met kenmerk XVI K 603/10, waarbij is opgelegd een straf van 6 maanden, waarvan volgens het EAB een straf resteert van 5 maanden en 29 dagen;
van 28 maart 2011, met kenmerk XVI K 1883/10, waarbij is opgelegd een straf van 1 jaar en 10 maanden, waarvan volgens het EAB een straf resteert van 1 jaar, 9 maanden en 28 dagen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. In alle drie de procedures is de opgeëiste persoon op meerdere zittingen aanwezig geweest. De behandelingen zijn op een zeker moment geschorst en de opgeëiste persoon zou volgens het EAB daarna correct zijn opgeroepen voor de vervolgzitting. De opgeëiste persoon stelt na de schorsing van de procedures niets meer te hebben gehoord en weet niet hoe de procedures verder zijn verlopen. Er is niet voldaan aan de eisen van artikel 12, aldus de raadsman.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Ten aanzien van het vonnis van 14 juni 2010 (XVI K 603/10) vermeldt onderdeel d) stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces (wat overigens wordt bevestigd door de opgeëiste persoon bij zijn verhoor bij de officier van justitie op 8 december 2023). Ten aanzien van de andere twee vonnissen is in onderdeel d) meegedeeld dat de opgeëiste persoon bij verschillende zittingen aanwezig is geweest en na een schorsing van de behandeling voor de nieuwe (tevens laatste) zitting in persoon is gedagvaard (op 16 november 2012 in de zaak met kenmerk XVI K 245/12 en op
4 februari 2011 in de zaak met kenmerk XVI K 1883/10) en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op het proces verschijnt. Met betrekking tot de processen die hebben geleid tot deze vonnissen (1 en 3) is sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12 onder a, OLW. Het niet onderbouwde verweer van de raadsman geeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze informatie en wordt daarom verworpen.
4Strafbaarheid
Feiten
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Feiten
(medeplegen van) mishandeling;
diefstal door twee of meer verenigde personen;
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, terwijl twee of meer verenigde personen het misdrijf plegen;
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
(medeplegen van) opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter/ambtenaar af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 138, 285, 285a, 300, 311, 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
Dictum
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Bydgoszcz, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Zie artikel 23 Overleveringswet.
Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
Zie onderdeel e) van het EAB.